Archives for mei 2011

Debatteren in je tweede taal

Een groot deel van de Nederlandse debaters heeft het wel eens gedaan, en een gedeelte doet het zelfs regelmatig: debatteren in het buitenland. Nu het Engelstalige circuit zich uitstrekt van Ierland en Engeland tot Litouwen, Turkije en de Aziatische landen, is er voor elk wat wils en ongeveer wekelijks een mogelijkheid om naar het buitenland te gaan.

Het debatteren in een andere taal dan je moerstaal is echter niet altijd gemakkelijk. Elke debater die het wel eens heeft geprobeerd, weet dat het niet begrijpen van bepaalde woorden, het nadenken over woordgebruik en een minder natuurlijke kennis van de grammaticastructuur behoorlijk belemmerend kan werken.

Veel zogenoemde “ English as a Second Language”, of “ESL”-debaters, zijn al tijden gelukkig met de ESL wedstrijden die vaak binnen competities gehouden worden. Verschillende Nederlanders zijn inmiddels al wereldkampioen in de ESL categorie geworden, de Nederlanders domineren vaak internationale finales en winnen regelmatig sprekersprijzen.

Jureren

De doorbraak van verschillende Nederlandse teams in de top van het Britse circuit (zo wonnen Ali Al Khatib en Rob Honig afgelopen jaar de Cork IV), heeft de discussie over ESL als categorie weer enigszins doen oplaaien. Als ESL teams blijkbaar ook de gewone finales kunnen winnen, waar is die categorie dan nog voor?

Stel echter de afschaffing van de extra categorie voor, en Nederland Debatland staat op zijn achterste benen. Vaak benoemt men hier als argument dat, vooral IONA (Isles of the Northern Atlantic), juryleden een negatieve bias naar ESL teams hebben. Ook al bestaat er consensus dat een goede inhoudelijke speech ook zo gewaardeerd moet worden, zelfs als de spreker een aantal grammaticafouten maakt of duidelijk net een verkeerd begrip kiest, blijkt dat ESL teams door hun taalachterstand soms alsnog verliezen. Zelfs al hadden ze inhoudelijk gelijk.

Tot op zekere hoogte is dit te begrijpen. Een ESL-debater, zeker iemand die niet vaak in het Engels debatteert en nog niet per se gewend is aan het andere debatjargon, is soms door zijn wat hakkelende spreektempo, onduidelijke uitspraak en verkeerde woordkeuze moeilijker te volgen. Dat maakt echter niet dat de juryleden geen inspanningsverplichting hebben. Op zowel EUDC als WUDC worden er jurytesten uitgevoerd, waarbij het onterecht laten verliezen van een ESL team je minpunten op je juryranking oplevert. Men verwacht van juryleden dat ze hun uiterste best doen ESL debaters te begrijpen, want zij kunnen niks aan hun taalachterstand doen.

De andere debaters

Ook voor de andere debaters kan het lastig zijn als er een ESL debater meespreekt. Als je niet begrijpt wat er gezegd wordt, maakt dat het lastig reageren en weerleggen. Dit is een extra hindernis, die ook meespeelt als ESL-teams ESL-teams uit andere landen treffen. Wie van de Nederlandse debaters heeft nooit geklaagd over de zware Oost-Europese accenten van sommige debaters? Hierdoor loopt het debat extra risico onduidelijk te worden, met teams die langs elkaar heen spreken. Ook dit heeft weer invloed op de uiteindelijke score van debaters, en hoeft niet per se met een bias te maken te hebben: het is een logisch gevolg van de taalachterstand.

Publiek

Nog moeilijker wordt het als er ook een groot publiek aanwezig is. De stijl waarin de meeste internationale debatten plaatsvinden, Brits-Parlementair, dwingt juryleden om actief mee te schrijven. Vaak doet het publiek dat echter niet. Daar waar juryleden die goed hun best doen tweede-taal sprekers vaak inhoudelijk nog goed kunnen volgen, is het overtuigen van een publiek en grapjes op het juiste moment maken lastiger.

Een interessant recent voorbeeld hiervan is de finale van het Kalliope Debattoernooi 2011. In de finale stond Arielle Dundas, wier eerste taal Engels is, en wier tweede taal Nederlands. Na het debat dachten veel mensen in het publiek dat haar team het debat verloren had. Ze was volgens die mensen immers niet goed te volgen geweest. Een aantal van de teams in het debat deelden dat gevoel.

De jury echter niet. Zij hadden actief meegeschreven, en door de taalproblemen heen gekeken. Daar waar het publiek Arielle beoordeelde op retorische vaardigheden, keek de jury door het systeem van meeschrijven naar de inhoud. En, samen met Adriaan Andringa, won zij het toernooi.

Op dat moment werd in het publiek al vrij snel de vraag gesteld “Maar hoe kan iemand winnen die we niet begrijpen?”.  Voor een actief debatland, wat al tijden bezig is met een lobby om ook op internationale toernooien juryleden zo ver te krijgen dat ze door taalproblemen heen kijken, is deze reactie toch teleurstellend. In dit debat maakte men eindelijk mee waar veel Britten, Amerikanen en Australiërs al tijden over klagen: een taalbarrière. In plaats van erover te klagen, zou het mooi zijn als Nederland Debatland deze ervaring meeneemt in toekomstige discussies over de ESL-categorie. Een beetje mededogen met onze Britse buren als wij weer met steenkolenengels aankomen, kan immers geen kwaad.

(Men kan natuurlijk de vraag stellen in hoeverre een debater slechts beoordeeld  mag worden op inhoud, en in hoeverre overtuiging in de breedste zin van het woord essentieel is. Voor wie dat wil: voel je vrij een artikel voor Seventwenty in te sturen naar seventwenty@debatbond.nl. )

De Afrikaanse Kampioenschappen in Namibië

Leela Koenig was CA van EUDC Amsterdam 2010 – Spread the Love. Ze beschrijft haar ervaringen op de Pan-African Universities Debating Championchips in Namibië.

Van 4 tot 11 December 2010 vonden de Pan African Debating Championships plaats. Dit toernooi is voor het eerst in 2008 georganiseerd door de crew van Botswana die de wereldkampioenschappen organiseerde in 2010, om te laten zien wat ze konden. Uit dat prestigeproject is een heus Afrikaans Kampioenschap ontstaan dat nu diens derde editie beleefde in Windhoek, Namibië. Ik mocht er jureren en ik wil jullie graag kort vertellen hoe het daar was. De organisatie bestond uit wat oudere studenten die het toernooi op de campus van University of Namibia (met 30.000 studenten) organiseerden. Deze campus ligt ver buiten het centrum van de hoofdstad, in contrast met de campus van de zogeheten Polytechnic, maar, om mij onbekende, ‘politieke’ redenen kon daar het toernooi niet worden gehouden. Het is bijzonder wat er op de campus gebeurde. Het viel me op hoe zwaar het was voor de organisatie om alles op orde te houden. Niet iedereen waar ze afspraken mee maakten werkte mee, want als je weinig geld hebt, en dus weinig kunt betalen, bestaat het risico dat men zich niet aan diens woord houdt. Eten kwam te laat; was op; kamers waren niet schoon; water uit de douche viel uit, en dat leidde tot frustratie bij sommige debaters. Maar voor mij maakt dat eigenlijk vrij weinig uit. Niets kon mij afleiden van het feit dat ik eindelijk debatten mocht jureren in een wereld die mij al zo lang fascineerde, maar die zo ver weg bleef: het Afrikaanse debatteren.

Als ik het vergelijk met het niveau van de Europese Kampioenschappen, dan vallen mij een paar dingen op. Ten eerste is men echt enorm eloquent. Ik hoorde prachtige beeldspraak, rustige, duidelijk uitgesproken speeches; scherpe en kalme weerleggingen- het was een genot om naar te luisteren. Ten tweede, ik hoorde argumentatie die ik zelf niet in eerste instantie bij een stelling zou hebben gebracht als ik in het debat had gezeten, wat het jureren ontzettend leuk maakte. Bij een stelling over stemrecht voor enkel hoogopgeleiden (een oefenstelling die ik zette voor wat über-actieve debaters uit Johannesburg) was de kern van de argumentatie niet dat ‘het volk’ populistisch stemt en makkelijk te beïnvloeden is et cetera, maar juist dat dit moest worden ingevoerd zodat politici niet langer het volk kunnen bespelen. De focus van het debat lag daarmee heel anders. Maar, daarnaast was het, net zoals bij het EK en de meeste toernooien, vaak niet al te best gesteld met de algemene kennis van de debaters. Bij de fantastische motie dat “The Arab World Should Apologize For Its Colonial Past” (en dus niet alleen het Westen) bleven de voorbeelden tegen deze motie vooral hangen bij het succes van Algerije, Marokko en Egypte (wat nu niet echt bij uitstek post-koloniale probleemlanden zijn….).

Ook de spreiding van het niveau is wat groter en anders. Het laagste niveau is niet lager of hoger dan bij het EK (of, bijvoorbeeld, Amsterdam Open), maar ik had het idee dat er wel meer teams op een beginnersniveau blijven steken, vooral omdat er geen ver ontwikkelde trainingsprogramma’s zijn zoals wij die hier mogen genieten. Ik merkte dat ook aan de enorme hoeveelheden feedback die ik door teams werd gevraagd te geven. Des te meer complimenten aan Joe Roussos, de Chief Adjudicator ( en dca op het WK), en zijn team dat de eerste twee dagen wijdde aan het geven van workshops (hij en ik aan de jury, Thoriso M-Afrika en Claire Hawkridge aan de debaters). Wat me ook opviel was de enorme Zimbabwaanse aanwezigheid. Vijftig van de honderdtwintig teams waren uit Zimbabwe, ze hadden drie dagen in de bus gezeten, en hun stijl was vlijmscherp. Ik zag zelf een eerste propositie case van de kwartfinale motie dat ‘Zuid Afrika de Marange Mijnen moet overnemen van Zimbabwe’ door een scholierenteam (!) uit Zimbabwe dat dit heel strak en ongehinderd kritisch opzette.

Tot slot nam de Afrikaanse gemeenschap de socials ook een stuk serieuzer dan ik gewend ben. In Europa wordt er natuurlijk goed gefeest, maar de meesten liggen rond een uur of twee netjes in bed. Niet in Namibie. Elke avond werd er tot diep in de nacht doorgedronken/gefeest/gevoetbald (ja, gevoetbald) en één van de avonden werd doorgebracht in één van de townships van Windhoek die, net als in Zuid Afrika, steeds vaker worden verbeterd doordat mensen die het buiten de townships gemaakt hebben terugkeren en de huizen van henzelf en hun familieleden opknappen. De finale van PAUDC werd gehouden in de prachtige tuinen van het Namibische parlement waarna de universiteit van Witwatersrand zich Afrikaans Kampioen mocht noemen. Vlak voor de finale uitslag werd de public speaking contest gehouden waar mensen werkelijk enorm uitpakten – het was meer komedie dan eloquentie, tot groot genoegen van het publiek. Deze finale werd gewonnen door een jongeman van Rhodes Univesity, zodat beide prijzen uiteindelijk naar Zuid-Afrika gingen.

De volgende PAUDC zal in Zimbabwe worden gehouden, en gezien het niveau van de Zimbabwaanse teams moet dat een mooi spektakel worden. Mocht iemand die dit leest zin krijgen om erheen te gaan (want je bent toch in de buurt) doe dat dan vooral, het is geweldig.

WSDC 2011 update: Nederlands team gekozen!

De teerling is geworpen. De scholierendelegatie die in augustus namens Nederland op zal draven op het World Schools Debating Championships is gekozen! Na maandenlange onzekerheid en wekelijkse ingespannen trainingen, zijn de vier namen van de debaters bekend: Anna Verkaik, Azer Aras, Joris Broeders & Menno Schellekens. Aan hen is de eer om Neerlands Glorie te verdedigen tussen de rokdragende mannen van Dundee. De keuze uit een voorselectie van zeven was verre van gemakkelijk. Niet alleen moesten de coaches rekening houden met de wispelturige natuur van de flegmatieke scholier, ook moest er vanuit een teamformatie gedacht worden, want de beste spelers vormen lang niet altijd het beste team.

Reinier aan het woord, de scholieren in opperste concentratie

Hoe het begon

Er was een tijd voordat de scholieren hun vrije tijd verloren en hun weekenden als geobsedeerde debatmachines sleten. Die tijd was voor afgelopen 22 januari. Dat is namelijk de datum waarop het Dutch Schools Debating Championships ’11 plaatsvond. Op het DSDC koos een breed panel van studentendebaters en andere debatfanatici de top 13 debaters, uit meer dan 80 scholieren. Zij namen het begin februari tegen elkaar op in een hooggelegen kantoorruimte in Rotterdam. Na een achtuurdurende sessie waarin 5 debatten werden afgewerkt kozen de juryleden de zeven beste debaters. Met deze groep werd een planning opgesteld om de volgende drie maanden van hun leven voor een groot deel in te vullen.

De sessies

Wekelijks werd de groep intellectueel bijgespijkerd door toppers uit het studentendebat. Dank voor de inhoudelijk sterke trainingen gaat o.a. uit naar Reinier de Adelhart Toorop, Victor Vlam en Leela Koenig, die volledige weekenddagen opgaven om de scholieren masterclasses te geven over rechten, paternalisme en de verhouding ouders, kinderen en de staat. Ondertussen werd er hard gedebatteerd, met zelfs een tweedaagse bootcamp, waarin de debaters van ’s ochtends vroeg tot ’s avonds laat hun kwaliteiten én hun goede humeur lieten zien. De hulp van coaches werd zeer gewaardeerd, maar maakte de selectie er niet altijd makkelijker op. Iedere coach had zijn eigen visie. Elke coach viel iets anders op aan de leerlingen en allen hadden ze – zoals het ware debaters betaamt – ijzersterke argumenten om hun standpunten mee te staven.

De keuze

Naast de meningen van verschillende coaches moest er ook rekening gehouden worden met de rollen binnen het debat. Op het WSDC zijn er namelijk niet twee, maar drie verschillende sprekersrollen, die elk hun eigen kwaliteiten vereisen. Strategische sprekers zijn het beste op hun plaats als Prime Minister, terwijl de analytische debaters liever een derde plek innemen. De tweede plek blijft voorbehouden aan flexibele manusjes van alles, die gemakkelijk kunnen switchen tussen weerlegging en constructief materiaal. Een andere hobbel was samenwerking. Uit één-op-één gesprekken met debaters kwamen vaak hele positieve verhalen, terwijl het trio waarvan ze onderdeel waren onder hun gebruikelijke niveaus presteerde. Dat zette de coaches ertoe om nauwkeurige notities van observaties te maken bij teamvoorbereiding, om samenwerkingspatronen op te merken en de meest effectieve teams te spotten. Debaters kregen feedback op hun teamgedrag en ook daar traden verschuivingen op.

De blik vooruit

Voor het WK aanbreekt moet er nog aardig wat gebeuren. Er zal nog veel getraind worden met de vierkoppige selectie en flink gewerkt worden aan de voorbereide stellingen van de voorronde. Ook wordt er natuurlijk aan team building gedaan. Maar er staan bovendien veel praktische zaken op de agenda. Denk hierbij aan het vinden van goede, externe trainers, maar ook aan het zoeken naar sponsors om de kostendruk voor de arme scholieren te verlichten. De stichting DSDC wil graag groeien om het studentendebat onder scholieren te verspreiden. Daarbij is het essentieel dat er relaties met scholen in heel Nederland onderhouden worden. Op die manier vooruitblikken kan niet zonder buiten de stichting te kijken. DSDC is daarom op zoek naar enthousiaste, ervaren debaters om de organisatie (het liefst als bestuursleden) te versterken. Deze bestuursleden zullen per maand gemiddeld één of twee dag(en) besteden aan het werk voor de stichting en daarmee een belangrijke bijdrage leveren aan de debatcultuur op Nederlandse scholen en in het bijzonder aan de ontwikkeling van het Nederlandse team.

Als het jou leuk lijkt om een dergelijke bijdrage te leveren, of als je vragen hebt, neem dan contact met DSDC op. Dat kan door een e-mail te sturen naar darweesh.dsdc@gmail.com

SevenTwenty: De komende tijd

Gisteren  kondigde Tomas Beerthuis, vanuit het Bondsbestuur verantwoordelijk voor SevenTwenty, hier aan dat ik ben aangesteld als nieuwe hoofdredacteur. Aan mij dus de schone taak om iets over mijzelf en mijn visie op 720 te vertellen.

Wie ben ik

Voor diegenen die mij niet kennen (en dat zijn er vast een hoop), ik ben Danique en nu ongeveer 4 jaar actief in de debatwereld. De eerste 2,5 jaar heb ik voornamelijk gedebatteerd namens University College Utrecht. Ook ben ik daar anderhalf jaar voorzitter geweest van de debatvereniging. Na het behalen van mijn diploma daar ben ik bij UDS gegaan, waar ik op dit moment secretaris in het bestuur ben.

De afgelopen jaren heb ik veel toernooien bezocht – zowel binnen als buiten Nederland – en gezien wat voor hechte community de debatgemeenschap eigenlijk is, en zelfs per toernooi nog hechter wordt. Met SevenTwenty hoop ik, en de redactie met mij, een extra impuls aan die community te geven.

Wat wordt SevenTwenty

Niet alleen zullen we vanaf nu gaan zorgen voor live updates vanaf toernooien, ook zal er een inhoudelijke verbreding plaats gaan vinden. Naast toernooiverslagen zullen onze redactieleden debatten uit gaan werken, debaters en juryleden interviewen, en discussies aanzwengelen die relevant zijn voor de debatgemeenschap in zijn geheel.

Met de nieuwe twitter account (@SevenTwentyNDB) wordt het nog makkelijker iedereen snel van informatie te voorzien, en leuke artikelen van andere websites onder de aandacht te brengen. Op deze manier wil ik, samen met de redactie, dit platform een centrale rol geven in de informatieverzameling van debaters.

Daarnaast is SevenTwenty een belangrijk communicatiemiddel naar mensen buiten de debatwereld. Een effectief platform kan sponsoren aantrekken, scholieren enthousiast maken voor het debat, en mensen meer bewust maken van de kracht van debat en de debatwereld. Door niet alleen technische discussies over jureringen, maar ook verslagen van toernooien als de Afrikaanse Kampioenschappen te plaatsen, of een discussie over actualiteiten, kunnen wij als debatterend Nederland laten zien dat debat relevant is. Niet alleen voor politici, maar ook voor de ontwikkeling van analytische vaardigheden.

Debat is iets waarmee eenieder in aanraking zou moeten komen. Door laagdrempelige artikelen af te wisselen met meer inhoudelijke discussies, kan SevenTwenty hier mijns inziens een belangrijke rol in spelen.

Wat kan jij doen

Dat kan natuurlijk niet zonder hulp. Naast de nieuwe redactieleden die op dit moment aangetrokken worden, is SevenTwenty bij uitstek het medium waar elke debater dat artikel wat ze altijd al eens hebben willen schrijven kunnen plaatsen. Juist door de bijdrage van een zo groot mogelijke groep, en alleen door een bijdrage van een zo groot mogelijke groep, kunnen we dit medium relevant houden. Of je nou scholier, student, of gepensioneerde debater bent, je bijdrage is meer dan welkom. Dat briljante debat dat je ooit hebt gezien, dat ene argument wat je graag een keer goed uitwerkt, of dat ene issue waar je je al jaren aan ergert: schroom niet een artikel naar ons op te sturen!

De komende weken zullen er 2  a 3 keer per week artikelen verschijnen. Er liggen al artikelen klaar over de WSDC selecties, over de ESL discussie, en over de Afrikaanse Kampioenschappen. Het aanbod aan artikelen is vrij breed, en de bedoeling is dat dat zo blijft.

Samen met de redactie en de hele debatgemeenschap wil ik me de komende periode inzetten voor de ontwikkeling van SevenTwenty. Ik hoop dat jullie dezelfde potentie in dit medium zien als dat ik doe, en dat het een groot succes gaat worden.

SevenTwenty: een nieuwe stap

Een van de belangrijkste speerpunten van de Nederlande Debatbond is het verspreiden van het wedstrijddebat. Dat wil zeggen, zo veel mensen zo enthousiast mogelijk maken over debatteren in Nederland is een van de kerntaken van de Debatbond. We zien het als onze missie om dat op een zo leuk en effectief mogelijke manier te doen. Bij een digitaal tijdperk hoort digitaal beleid, en vandaar dat de Debatbond haar digitale nieuwsmedium, SevenTwenty, naar een hoger plan gaat trekken.

Sinds korte tijd heeft Nederland debatland SevenTwenty (afkomstig van de 720 woorden die in een gemiddelde debatspeech passen) als kanaal voor opinie, nieuws en verslagen rondom het wedstrijddebat. In die korte tijd is het kanaal niet alleen uitgegroeid tot een kanaal dat debaters lezen, maar ook een kanaal waar mensen van buiten de debatwereld hun informatie vandaan halen. Naar het Duitse voorbeeld Achte Minute was en is onze missie om een medium te bieden waar iedereen die het wedstrijddebat in Nederland een warm hart toedraagt zich thuis kan voelen. Na een periode van aftasten en uittesten gaan we een nieuwe stap zetten met SevenTwenty.

Brede redactie, breed aanbod

De redactie van SevenTwenty zal worden uitgebreid met een aantal nieuwe redactieleden. Uit de verschillende verenigingen zullen we talentvolle schrijvers aantrekken met een scherpe pen. We gaan naar een aanbod toe van 2 of 3 artikelen per week, die verspreid over de week zullen verschijnen. Door een breed aanbod van nieuwe soorten artikelen (naast toernooiverslagen ook meer opinie en bijvoorbeeld interviews) zullen we voor ieder die interesse heeft in het wedstrijddebat lezenswaardige artikelen aanbieden. De redactie zal onder leiding komen te staan van een aparte hoofdredacteur, in de persoon van huidig redactielid Danique van Koppenhagen. Daan Welling zal haar ondersteunen als adjunct-hoofdredacteur.

Sociale media, sociale benadering

Bij een digitaal tijdperk hoort een digitale benadering. Door middel van functies die bij een blog horen gaan we artikelen meer naar de lezers zelf brengen. Niet alleen kun je nu artikelen delen van deze website, ook komt er een actieve Twitter (@SevenTwentyNDB) en een Facebookpagina (SevenTwenty) waar het laatste nieuws van SevenTwenty zal verschijnen. Zo brengen we nieuws meer onder de aandacht en is het ook makkelijker om op de hoogte te blijven.

Aansluiten bij behoeften

We wisten dat SevenTwenty iets kon toevoegen aan de debatwereld. We wisten niet dat het binnen korte tijd gezien zou worden als een van de belangrijkste nieuwskanalen van de debatwereld. Mensen verwachten veel van SevenTwenty, en hier willen we bij aansluiten. Door beter in te spelen op zaken als live toernooiverslagen en het bieden van informatie waar dat ontbreekt zullen we trachten te voorzien in de behoefte die veel mensen hebben in de debatwereld.

Met een aantal aanpassingen gaan we, samen met de redactie, een nieuwe stap zetten in de voortuitgang van SevenTwenty. We geloven dat we met de juiste inspanning en de juiste intenties, een schitterend medium kunnen maken waar iedereen plezier van heeft.

Namens het bestuur van de Nederlandse Debatbond,

Tomas Beerthuis (bestuurslid communicatie & PR)

Update KDT

Van 14 tot 15 mei 2011 vindt in Groningen het Kalliope Debattoernooi plaats. Vanaf het toernooi de volgende update met informatie. Stellingen zijn een benadering.

Stellingen:
1. DK bestraft de drager die een persoon besmet met een bekende of onbekende SOA
2. DK geeft gewapende steun aan massabewegingen in het midden oosten en noord Afrika
3. DK vergoedt niet de behandeling van terminale patiënten die het leven met een jaar kunnen verlengen
4. DK verbiedt het huwelijk
5. DK publiceert de foto’s van de liquidatie van Osama Bin laden

Sf. DK voert de sharia in als daar een tweederde meerderheid voor is

Brekende teams:

1. Erasmus (Jeroen Heun & Daniel Springer)
2. Bonaparte (Ruud de Joode en Rozemarijn)
3. Bonaparte (Jules Boog & Simcha Looijen)
4. UDS/EDS (Tomas Beerthuis en Lucien de Bruin)
5. Leiden (Rogier Baart & Suzanne Kingma)
6. UDS (Adriaan Andringa & Arielle Dundas)
7. Erasmus (Jesse Fest & Michael Tai)
8. UDS/Cicero (Danique van Koppenhagen & Victor Vlam)

Tab is te vinden op  http://www.gdskalliope.nl/toernooi/index2.php?ID=17

Over het functioneren van jury’s (II: Reputatie)

Nu de juryaccreditatie zal worden besproken op de eerstvolgende Bondsraad, aankomende vrijdag, en begin dit jaar door Reinier de Adelhart Toorop een pleidooi voor jurering zonder overleg besproken is in het verenigingsblad van ASDV Bonaparte, is de manier waarop debatten worden gejureerd weer een hot topic. Daarom presenteert SevenTwenty in twee delen een uitgebreide analyse van huidig Nederlands Kampioen Daniël Springer over jureren. Afgelopen dinsdag besprak hij de vraag hoe we om moeten gaan met informatiedeling in juryoverleg. Vandaag kijken we verder naar de invloed van reputatie.

Reputatie

Ik noemde eerder al even de de angst om negatief geëvalueerd te worden toen ik het had over het delen van unieke informatie. Ik denk dat “reputatie” als meer generiek punt een belangrijk element is bij de jurering van debatten en ik wil er dan ook apart op ingaan.

Tot nu toe heb ik grotendeels aangenomen dat juryleden een eenmalige interactie hebben met als gemeenschappelijke doelstelling: het vinden van de kwalitatief beste uitslag. Het is echter niet onwaarschijnlijk dat juryleden naast collectieve doelen ook nog individuele belangen hebben. Zo kan een jurylid graag worden gezien als competent (reputatie) en graag een breakronde willen jureren of worden gevraagd voor het CA team van een volgend toernooi.

De eerste vraag die we moeten beantwoorden is: wat bepaalt mijn reputatie als jurylid? Hierover kunnen de meningen verschillen, maar mijn gevoel is dat het vooral een kwestie is van bekend jurylid A die lobbyt voor jou als “breaking judge” en jou uitnodigt als hij/zij CA is van een toernooi. Degene die je als reputatie-gevoelig jurylid dus te vriend wil houden zijn daarom vaak de bekendere juryleden met wie je samen jureert.

De tweede vraag is: wat doen reputatieoverwegingen met mijn gedrag als jurylid? Als ik een signaal heb dat team B moet winnen, en mijn chair heeft een signaal dat team A moet winnen, wat doe ik dan? Zonder reputatie overwegingen zou een rationele actor zeggen: ik zeg gewoon dat ik signaal B heb. Immers, door beide signalen te combineren krijgen we meer precieze informatie over de uitslag. Laten we nu aannemen dat de chair denkt dat zijn/haar signaal een 80% kans heeft om goed te zijn. Als ik op zo’n moment signaal B noem, dan is de kans dus 80% dat ik incompetent ben (eigenlijk hangt dit af van mijn initiële reputatie, maar voor mijn punt is dat verder niet relevant).

Ik kan mijn reputatie dus altijd vergroten door mee te gaan met het signaal dat mijn chair noemt! Dat is nogal een sterke prikkel om mee te gaan met andere juryleden. Helemaal als we in ogenschouw nemen dat mijn chair mijn signaal waarschijnlijk toch zou hebben genegeerd (hij/zij is immers zeer zeker van zijn/haar zaak). Voor de geïnteresseerden: bovenstaande is een aanpassing van Morris (2001).

Om dit concreter te maken: ik jureerde een paar weken geleden de ESL finale van de Paris IV. Het was voor mij de eerste keer dat ik de breakronde van een internationale competitie jureerde. Met mij in de jury zaten alleen maar grote namen uit de internationale debatwereld. Na afloop van het debat riep de chair direct “team A wint”. Een tweede topjurylid viel direct in dat hij het daarmee eens was. Toevallig was dit een debat waar het ook wel écht heel duidelijk was, maar laten we voor de grap aannemen dat dit niet het geval was. Wat zou het voor mijn reputatie als jurylid hebben gedaan als ik tegenover vier mastodonten was gaan staan en had gezegd: “ik had team B”? Zouden zij aannemen dat ik unieke informatie probeerde te delen, of zouden zij zich afvragen waarom ik eigenlijk in de jury zat?

Conclusie

Ik heb twee belangrijke punten (informatie en reputatie) behandeld die uitsluitsel zouden moeten geven over de vraag of stemmen of overleggen beter is. In potentie is overleggen beter, omdat er meer informatie op tafel kan komen en omdat het voorkomt dat juryleden met een hogere kwaliteit signaal  worden overstemd door mensen met een lage kwaliteit signaal. Echter, ik heb aan de hand van zowel rationele als irrationele tendensen laten zien waarom we kunnen verwachten dat overleg vaak leidt tot verlies van waardevolle informatie en juist voor slechtere uitslagen kan zorgen. De vraag is nu: wat weegt zwaarder?

Het kan beter

Mijn scriptiebegeleider antwoordt op de vraag “is A beter dan B” altijd hetzelfde: it depends.  Ook hier lijkt me dat het geval. Reinier gaf al aan dat vooral breakrondes met AP format zich goed lenen voor stemmen. De reden hiervoor is dat alle juryleden hier een minimaal niveau hebben en dat door het AP format de afweging minder complex is dan bij BP. Dit principe is vervolgens dan ook in de praktijk gebracht bij (in elk geval) de afgelopen twee edities van het Bonapartiaans Debattoernooi.

De beperking van dit systeem werd duidelijk bij bijvoorbeeld een stelling over de Lord’s Resistance Army, waar juryleden mét bepaalde kennis voor het ene team stemden en juryleden zonder die kennis voor het andere team. Op zo’n moment was “uitwisseling van signalen” dus een goed idee geweest. Kunnen we dit probleem oplossen zonder van stemmen af te zien?

Ik denk van wel. Een mogelijke oplossing zou bijvoorbeeld zijn om de overlegtijd te beperken tot 5 minuten vlak voor het stemmen. Juryleden kunnen dan eerst hun eigen mening vormen, vervolgens nog even kennis nemen van de meest prangende signalen van andere juryleden, om vervolgens wel weer anoniem te mogen stemmen zonder de conformeringsdruk. Risico is natuurlijk wel dat als toevallig twee zwaargewichten uit het panel de 5 minuten kapen en beiden voor één bepaald team pleiten, dit voor eenzijdige informatievoorziening kan zorgen en minder ervaren juryleden onterecht aan het twijfelen kan brengen.

Een andere optie is om een aanhanger van zowel de voor- als de tegenstanders (of bij gebrek daaraan: iemand die aangewezen is als aanhanger van één partij) te vragen in 2 minuten de belangrijkste argumenten voor dat team te noemen. Op die manier ontstaat er een evenwichtig beeld en komen belangrijke signalen voor beide teams naar boven. Dit lijkt mij persoonlijk de beste optie voor die gevallen waarin stemmen een reële mogelijkheid is.

Voor het gros van de gevallen zitten we echter vast aan juryoverleg. Dat is op zich niet erg, maar er zijn een aantal dingen die we kunnen doen om ervoor te zorgen dat de nadelen minder prominent worden:

  1. wijs een “advocaat van de duivel” aan. Deze persoon moet tijdens het juryoverleg mordicus tegen de winnaar zijn die de rest aanwijst. Het voordeel hiervan is dat relevante informatie naar boven komt, terwijl de advocaat van de duivel zelf geen reputatieschade hoeft te vrezen (immers: het was zijn rol om tegen te zijn). Ik weet dat sommige juryleden dit automatisch al doen, maar we zouden het moeten institutionaliseren, zeker bij breakrondes.
  2. laat de breakkansen van een jurylid meer afhangen van feedbackformulieren dan van bemoeienis door grote namen in de debatwereld.
  3. de leiderschapsstijl van veel chairs, zeker in breakrondes, moet veranderen van “directive leadership” (“het is A en waag het eens tegen te zijn”) naar “supportive leadership” (“mag ik iemand vragen een case te maken voor team A en team B”).
  4. de initiële calls, wat nu vaak de manier is waarop een overleg wordt gevoerd, mogen de prullenbak in. Juist “anchoring” (het maken van een initiële beslissing zonder goed op de feiten in te zijn gegaan) zorgt voor een te vroeg commitment aan een bepaalde keuze en (de perceptie van) gezichtsverlies als later die keuze moet worden teruggenomen. Dit is zeker het geval als een chair direct zijn/haar initiële call bekendmaakt. Om met Sherlock Holmes te spreken: “It is a capital mistake to theorize before one has data. Insensibly one begins to twist facts to suit theories, instead of theories to suit facts.”

Ik hoop met dit artikel een verdere slinger te geven aan het jureringsdebat dat eerder al door Reinier begonnen. Jurering is één van de belangrijkste onderdelen van het debat, en goed nadenken over hoe we dat inrichten zal de debatsport kwalitatief ten goede komen én de externe validiteit van uitslagen te goede komen. Over juryrechtspraak in de VS kon Herbert Spencer nog terecht opmerken: “A jury is composed of twelve men of average ignorance.” Als debaters hebben we dat excuus helaas niet.

Referenties

Frey, D., Schultz-Hardt, S. & Stahl, D. (1996). Information seeking among individuals and groups and possible consequences for decision making in business and politics. In Witte & Davis (Eds.), Understanding group behavior: Small group processes and interpersonal relations (pp. 211-225). Mahwah: Erlbaum.

Morris, S. (2001), “Political Correctness”, The Journal of Political Economy, 109(2):231-265

Stroebe, W. & Diehl, M. (1994). Why groups are less effective than their members: On productivity loss in idea generating groups. In W. Stroebe & M. Hewstone (Eds.), European Review of Social Psychology (vol. 5. pp 271-303). London: Wiley.

Tindale, R. S. (1993). Decision errors made by individuals and groups. In N. J. Castellan Jr. (Ed.), Individual and group decision making: Current issues (pp. 109-124). Hillsdale: Lawrence Erlbaum.

Over het functioneren van jury’s (I: Informatie)

Nu de juryaccreditatie zal worden besproken op de eerstvolgende Bondsraad, aankomende vrijdag, en begin dit jaar door Reinier de Adelhart Toorop een pleidooi voor jurering zonder overleg besproken is in het verenigingsblad van ASDV Bonaparte, is de manier waarop debatten worden gejureerd weer een hot topic. Daarom presenteert SevenTwenty in twee delen een uitgebreide analyse van huidig Nederlands Kampioen Daniël Springer over jureren. Vandaag verschijnt een analyse over juryoverleg op deze site, en donderdag voltooien we dit artikel met het thema ‘reputatiejurering’.

Over het functioneren van jury’s

Vrijwel geen enkel onderwerp heeft zoveel aandacht getrokken in discussies over de debatsport als hoe om te gaan met de jurering van debatten. Amsterdammer Reinier de Adelhart Toorop (verder: Reinier) schreef enige tijd geleden een uitstekend stuk hierover in het maandblad van zijn vereniging. De vraag die hij vooral wenste te behandelen was: welk jureringssyteem zorgt voor de “beste” uitslagen.

De “beste uitslag”

Om maar te beginnen met een wellicht controversieel onderdeel uit het stuk van Reinier: bestaat er zoiets als “de juiste uitslag”? Nee, zegt Reinier, uiteindelijk is het jureren van een debat vaak een kwestie van persoonlijke smaak en daarmee samenhangende wegingsfactoren. Hoe belangrijk vind je in BP consistentie met de eerste helft? Is een extreem consistent filosofisch argument geweldig of praktisch onhoudbaar? Is een arrogante stijl overtuigend of hinderlijk? Allemaal vragen die per persoon zullen verschillen en die invloed hebben op de uitslag van een debat.

Ik ga dan ook zonder meer mee in Reinier’s redenering dat zeggen dat iemand “een goed jurylid is, omdat hij/zij de juiste uitslag had” vaak zal betekenen dat de spreker simpelweg op zoek is naar juryleden met gelijksoortige preferenties als hij/zij. Als we Reinier’s theorie accepteren, dan had deze persoon hooguit mogen zeggen: “zijn/haar onderbouwing van de uitslag was ondermaats”. Immers, Reinier’s stelling houdt niet in dat er geen kwalitatief verschil kan zijn tussen verschillende uitslagen, maar dat er verschillende kwalitatief gelijkwaardige uitslagen kunnen bestaan.

Wat mij betreft betekent bovenstaande niet dat er geen kwalitatief verschil kan bestaan tussen juryleden, zelfs als ze allemaal een zekere mate van expertise hebben. Als we accepteren dat parlementaire debatten (vooral) gejureerd moeten worden op inhoud, dan is een jurylid dat snel logische constructies kan ontrafelen en de onderlinge samenhang van argumenten correct en snel doorziet een goed jurylid. Tegelijkertijd hangt de validiteit van argumentatie vrijwel altijd samen met het impliciet accepteren van een aantal premissen (zoals: vrijheid is gaaf), waar ook redelijke juryleden over van mening kunnen verschillen.

We moeten daarom af van het idee dat er altijd één goede uitslag is in een debat en dat er bepaalde jurygoden/godinnen zijn die ons kunnen vertellen wat die uitslag is. Juist het meewegen van veel verschillende wegingsfactoren kan de jurering ten goede komen.

Stemmen of overleggen?

De belangrijkste vraag die behandeld moet worden als we kijken naar hoe we jury’s vormgeven om de kwalitatief best onderbouwde jurering te bereiken, is of de uitslag het aggregaat moet zijn van de individuele meningen van de juryleden (stemmen) of dat er à la juryrechtspraak een uitgebreid overleg en onderhandelingsproces aan vooraf hoort te gaan. Reiniers antwoord is helder: stemmen. Laten wij eens kijken naar de voor- en nadelen van beide vormen.

Informatie

De reden dat vaak wordt teruggegrepen naar groepsbesluitvorming is het idee dat “twee mensen meer zien dan één”. Laten we een heel simpel voorbeeld nemen om iets formeler naar deze stelling te kijken. Stel je voor dat we drie juryleden hebben. Tijdens een debat wordt een enorme hoeveelheid feiten en argumenten op je afgevuurd als jurylid, waardoor het vrijwel onmogelijk is dat je alle relevante informatie hebt meegekregen. Daarnaast kan het zijn dat jij privé informatie hebt over bijvoorbeeld de situatie in een bepaald gebied, waardoor jij argumenten beter kunt plaatsen of valideren dan andere juryleden.

Laten we dus aannemen dat elk van de drie juryleden een signaal ontvangt over wie het debat heeft gewonnen. Om zaken eenvoudig te houden nemen we aan dat de kans dat een bepaald signaal correct is 70% is. We hebben net gezien waarom het aannemelijk is dat juryleden niet allemaal hetzelfde signaal ontvangen, formeel: de correlatie tussen signalen is minder dan 1. Het is nu redelijk eenvoudig om te zien dat het combineren van de drie signalen altijd een hogere waarschijnlijkheid geeft dan 70% dat de “correcte” uitslag wordt gekozen (lees: best onderbouwde, meest logische uitslag). Zie de appendix voor formeel bewijs.

We lijken hier dus een duidelijk nadeel van Reiniers systeem te hebben ontdekt: door te stemmen zonder overleg verlies je immers de kans om als jury relevante “signalen” uit te wisselen om zo tot een kwalitatief betere jurering te komen! Hoe kan Reinier zoiets verschrikkelijks toestaan?!

Gelukkig zijn er goede redenen om te vermoeden dat het geschetste plaatje niet klopt. Zo blijkt uit onderzoek naar collectief brainstormen dat individueel ideeën genereren vele malen efficiënter is dan in groepsverband (zij bijv. Stroebe & Diehl, 1994). De verklaring daarvoor is ook relevant voor ons. Zodra je als jurylid aanneemt dat een ander jurylid écht goed oplet, dan ervaar je een verminderde persoonlijke verantwoordelijkheid om zelf zo scherp mogelijk te zijn tijdens het debat (in feite is dit free-riding). Dit zal vooral spelen bij juryleden die zichzelf als minder inschatten dan bijvoorbeeld de chair.

Een ander probleem dat optreedt in groepen is dat “unieke” informatie (dus: het deel van het signaal dat uniek is) vaak niet wordt gedeeld (Larson et al, 1998). Mogelijke verklaringen zijn sociale validering (als andere dezelfde informatie hebben moet het wel waar zijn) en de angst om negatief geëvalueerd te worden (bijvoorbeeld door een belangrijk ander jurylid). Daarnaast wordt juist in groepen informatie die ingaat tegen een initieel bereikte conclusie vaak niet meer genoemd (Frey et al., 1996). Groepsleden hechten vaak veel waarde aan een gevoel van eensgezindheid en hebben daarom de neiging informatie die tegen de groepsconclusie in gaat niet te noemen, om onenigheid te voorkomen.

In principe zou overleg er dus toe moeten leiden dat de kwaliteit van de jurering omhoog gaat. Er zijn echter bepaalde groepsprocessen die ertoe kunnen leiden dat dit voordeel wegvalt. Juist als er geen objectief criterium voor de “juiste” uitkomst is scoren groepen in onderzoeken consistent slechter dan het aggregaat van individuen (Tindale, 1993).

Het tweede en laatste deel verschijnt donderdag op SevenTwenty.