Archives for juni 2011

Mensenrechten zijn belangrijk!

Verguisde argumenten moeten weer kunnen

Bijna elke beginnende debater is er wel eens mee geconfronteerd: in je eerste debat moet je een controversieel plan aanvallen; bijvoorbeeld dat sommige mensen, zoals verslaafden, geen kinderen zouden mogen krijgen. Trots sta je op en verkondig je met veel flair dat het krijgen van kinderen een recht is, een mensenrecht zelfs, en dat zoiets niet ingeperkt mag worden. Op het eerste moment is het dan ontgoochelend als de voorstanders, de mensenrechtenschenders, dan toch vaak met de winst aan de haal gaan. De uitspraak van de jury is dan ook vrij schokkend: je komt hier niet mee weg om een mooi praatje te houden over mensenrechten; bij het debatteren gaat het erom dat je uitlegt waarom iets een mensenrecht is, en waarom dát er nu voor zorgt dat je dat recht niet mag afschaffen. In het ideale geval gaat de beginnende debater met deze feedback aan de slag en leert het argument ‘rechten’ uit te werken. Dus hij leert hoe je rechten moet balanceren en de eerstvolgende keer worden er al denkstapjes gemaakt richting een eloquente inhoudelijke verdediging voor het altijd krijgen van kinderen.

Taal en signaal

Ik heb het met opzet over ‘in het ideale geval’. Want heel vaak begrijp je als beginnende debater niet zo goed wat er nu precíes misging. En dat komt doordat de beginnende debater en het ervaren jurylid het woord ‘mensenrechten’ gebruiken, ze het beide over andere definities van hetzelfde woord hebben.

Hoe komt dat? In het boek “Don’t think of an elephant!” legt de Amerikaanse linguïst en politiek activist George Lakoff uit dat hetzelfde woord voor twee verschillende personen een heel verschillende betekenis kan hebben, omgeven door de context waarin het woord geleerd en gebruikt word. Voor een Republikein roept het woord “familie” associaties op met een strenge vader die de orde in het gezin handhaaft, een moeder die het gezin verzorgt en kinderen die naar hun vader te luisteren hebben. Voor een Democraat is het begrip “familie” verbonden met een veel vrijere opvoeding, waarin kinderen de vrijheid moeten worden gelaten om zelf dingen te ontdekken en te leren van fouten. Ouders hebben hierin een sturende rol. Met woorden als “mensenrechten”, “sociaal contract” en “signaalfunctie” is in de debatwereld iets soortgelijks aan de hand. De beginnende debater vind een “recht” heel erg belangrijk, omdat er in de media en in het politieke diskoers heel veel belang aan word gehecht. Er zijn zelfs mensenrechtendagen! Het sociaal contract is de noemer van een van de grootste en – sinds John Rawls het begrip herintroduceerde – belangrijkste theorieën binnen de politieke filosofie. Ook het signaal dat overheidsbeleid uitstraalt komt vaak terug: veel columnisten in de NRC en de Volkskrant schrijven bijvoorbeeld vooral over het ‘mensbeeld’ dat uitstraalt van de plannen het kabinet Rutte. Voor ervaren debaters hebben deze begrippen echter een andere betekenis: zij associëren dit soort woorden met slecht uitgewerkte ‘claims’ en met saaie binrooms. Vandaar dat het gebruik van dit soort labels vaak er al voor kan zorgen dat jij en je team minder serieus genomen worden door ervaren juryleden. Terwijl jij denkt een belangrijk argument te brengen, word je gezien als een claimende amateur en naar de bins verwezen.

Frame het debat anders!

De huidige oplossing die dit probleem kent is dat de beginnende debater zich aanpast aan de framing van de ervaren debaters. Niet langer heeft men het over ‘het sociale contract’, maar wel brengt men de analyse die eronder valt. Naarmate je langer meeloopt op toernooien begin je ook meewarig te denken over mensen die ‘signaalargumenten’ brengen en gniffel je zachtjes van binnen als de spreker tegenover je het over mensenrechten heeft.

Er zijn twee problemen met deze huidige aanpak. Ten eerste zijn deze ‘slechte argumenten’ eerst zo genoemd omdat ze wel degelijk iets over konden brengen. Elk woord heeft nu eenmaal een – sorry – signaalfunctie: het word heel gauw duidelijk waar je het over hebt. Doordat er een soort taboe rust op woorden die makkelijk signalen kunnen overbrengen, word het moeilijker om duidelijker te communiceren in het debat. Een ander belangrijk punt is dat de debatwereld hiermee afgesloten raakt van de wereld hierbuiten. Beginnende debaters moeten een grotere inspanning verrichten om mee te kunnen doen, omdat ze hun hele begrippenkader moeten bijstellen. Voor veel mensen die wel eens rondsnuffelen bij een debatvereniging kan het dedain voor jouw taalgebruik leiden tot een vlucht naar een andere vereniging. Maar bovendien worden we minder overtuigend voor de buitenwacht: woorden als mensenrechten hebben daar nu eenmaal nog steeds veel invloed en aantrekkingskracht. Willen we aansprekend zijn buiten de debatzaal, dan is het belangrijk dat we begrijpen dat bepaalde woorden buiten onze debatwereld sterker klinken dan wij denken.

De oplossing is niet makkelijk: in feite moeten we de oorspronkelijke betekenis van het woord ‘terugclaimen’: een slutwalk voor het sociaal contract. Ervaren en succesvolle debaters, die vaak het diskoers domineren doordat mensen naar hen luisteren – zij zijn immers de topdebaters waar je als beginnende debater naar opkijkt, en zij jureren vaak de debatten op toernooien -, moeten deze woorden weer opnemen in hun speeches: niet als verontschuldigende inside-joke, maar met de betekenis die deze labels eerst hadden. Sluit analyses over het verkrijgen van kinderen af met ‘en dat vinden wij zó belangrijk, dat we hebben besloten het in onze wetten op te nemen’. Leg goed uit aan die debaters die net beginnen met debatteren hoe ze rechten moeten afwegen. Maar geef hen niet het advies om de woorden “sociaal contract’ of “signaalfunctie” te verzwijgen. Dan houd je namelijk de bovengenoemde problemen in stand.

Esthethiek in de Arena: ‘Een stier kan je doden, maar de roem leeft voort.’ (II)

De Stier

Maar hoe staat het eigenlijk met het ontvangende einde van deze kunstvorm streep religie? ‘De stier? Wel, die moet gedood worden om de volgende redenen. Allereerst omdat zo’n dier leert, je kunt een stier geen twee maal in de arena zetten daar hij de tweede maal de torero van kant zou maken. En een terugkeer naar de boerderij is eigenlijk ook geen optie, daar het door al dat leren gevaarlijk geworden is. Ten tweede, simpelweg om het vlees. Na het gevecht wordt het beest klaargemaakt en opgegeten.’ Ook hier echter, blijkt nog een spirituele reden te bestaan. ‘Zo’n dier groeit in de twintig minuten in de ring vijf jaar. Het heeft zodoende de leeftijd bereikt waarop het sterven kan.’ En wat de heren vinden van mensen die tauromaquia willen verbieden? ‘Wanneer ze vlees eten, hebben ze eigenlijk geen been om op te staan. De toestanden in de slachthuizen zijn vaak erbarmelijk, en tijdens zijn leven heeft de vechtstier een bevoorrechte positie ten opzichte van zijn niet-vechtende collega’s.’ Zo blijkt dat in Mexico de training van een vechtstier vroeg begint en er eigenlijk uit bestaat dat het dier in relatieve vrijheid en rust groot kan worden. Ze worden jong geselecteerd op hun eigenschappen en in de bergen losgelaten, met voedsel en drinken op flinke afstand van elkaar waardoor het dier wel veel lichaamsbeweging moet krijgen. En, in tegenstelling tot Spanje, krijgt de Mexicaanse stier geen drugs ingespoten alvorens de arena te betreden, nog is hij op enigerlei wijze gehandicapt.

Erkenning dankzij de Stier

Wanneer een jager vroeger een stier doodde maar niet in staat was het naar huis te nemen, ontnam het zijn prooi een van de oren om later in staat te zijn de vangst te claimen. Dit in de praktijk geboren gebruik kent vandaag de dag een symbolische rol in de arena. Zo kan het namelijk gebeuren dat wanneer een stier en torero uitzonderlijk dapper vochten, het publiek dit aangeeft door te wuiven met witte zakdoeken. Is dit het geval, dan mag de torero één of zelfs twee oren meenemen van de overwonnen stier, als blijk van zijn moed. Een moed, die enkel getoond kon worden dankzij de moed van de stier, die zich vol overgave in het gevecht gestort heeft. Als deze er namelijk geen zin in had en zich  teruggetrokken had, was er ook geen roem te behalen geweest voor de torero. Hieruit blijkt hoe afhankelijk de torero is van zijn partner in het creëren van de kunst, waargenomen door de liefhebbers.  Een sport waarbij er één de dood vindt is zodoende slechts één kant van het verhaal, een kunst gecreëerd door twee een mogelijke andere.

Nieuwe Generatie

Alhoewel in ieder geval één krant in Mexico nog dagelijks een paar pagina’s wijdt aan tauromaquia en het sterven van een beroemd matador het tot de openingspagina van Yahoo Mexico schopt, lijkt het gebruik landelijk op zijn retour. ‘Je had het hier twintig jaar geleden moeten zien,’ zucht Ricardo, zijn ogen glijdend over de lege vlakte in het park Viveros, ‘toen krioelde het hier werkelijk van de torero’s. En kijk nu. Vier, vijf paartjes staan te oefenen.’ En inderdaad, veel mensen lijken er niet mee bezig op de late ochtend. ‘Het komt allemaal door de corruptie.’ Zo hoefde je vroeger als torero enkel voor de eerste confrontatie te betalen, terwijl je vandaag de dag elke keer de portemonnee mag trekken. ‘En dat werkt niet stimulerend.’ Zodoende zijn er slechts weinig in Mexico die daadwerkelijk van tauromaquia leven, de paar die het goed deden in de media en zodoende sponsoren vonden. Het merendeel doet het als hobby of komt slechts uit nostalgie naar de plaza in Viveros, in de hoop wellicht nog een student te vinden. Een student als Pepe (24 jaar), die tegen de wil van zijn vader, zelf matador, al op zesjarige leeftijd besloot dat tauromaquia zijn carrière zou worden. ‘Het is een levensritme, een gevaarlijke, moeilijke weg,’ aldus Pepe die sinds drie jaar zelf matador is. ‘Een vriend van mijn vader trainde me zonder diens toestemming en op mijn veertiende had ik mijn eerste confrontaties met stieren van zo’n 300 tot 350 kilo.’ Dat zijn vaders bezwaren niet onterecht waren, bleek wel toen Pepe op zijn zeventiende zwaargewond raakte doordat een stier de binnenkant van zijn dijbeen openhaalde. ‘Maar ik wilde terug. Ik miste de magie, de angst aan mijn zijde, het wakker liggen gedurende de nacht voor de confrontatie.’ En zo geschiedde, Pepe betrad de arena opnieuw en was te zien op grote podia in binnen- en buitenland. Hij verdiende veel geld, werd in weinig tijd beroemd en ‘had’ zelfs ‘vrouwen’. ‘Toen ik dat niveau bereikte, was ik eenzaam. Ik had alles, en had tijd nodig om in te zien waar ik het eigenlijk al die tijd voor had gedaan. Dus precies voor dat, wat mij ook weer deed beginnen na mijn verwonding.’ En zo reist Pepe’s ster enkel hoger aan het firmament van de geïnteresseerden en heeft hij nu plannen om een carrière te beginnen als matador in Spanje, waar matadors blijkbaar meer aanzien genieten. Over het wegkwijnen van tauromaquia in Mexico: ‘het ontbreekt de mensen aan  cultuur. Ze beschouwen tauromaquia niet als iets van zichzelf, zoals ze dat met voetbal wel doen. Als de media tauromaquia zo zou aankondigen als voetbal, wel, dan zouden de stadions weer vol komen te zitten.’

Noot van de auteur: Alle quotes en informatie zijn van de met naam genoemde inwoners uit Mexico Stad met wie ik drie gesprekken had op maandag 24, dinsdag 25 en vrijdag 28 januari 2011. Het doel was enkel hun kant van het verhaal te horen, uit nieuwsgierigheid.

Noot van de redactie: De afgelopen dagen is er aan ons gevraagd waarom we dit artikel gepubliceerd hebben. Als SevenTwenty willen wij naast wedstrijduitslagen, uitwerkingen van debatten en opinie over de debatsport, ook graag een inhoudelijk platform bieden waar debaters hun blik kunnen verruimen. In dit geval door een kant van het verhaal rondom stierenvechten te tonen, die in Nederland weinig aandacht krijgt. Wil jij ook iets ongebruikelijks delen met de debaters van Nederland? Aarzel dan niet om ook een artikel naar SevenTwenty@Debatbond.nl te sturen!

Esthethiek in de Arena: ‘Een stier kan je doden, maar de roem leeft voort.’ (I)

Waar de gemiddelde Nederlander – en zeker ook de gemiddelde Nederlandse wedstrijddebater – een sadistisch tijdverdrijf voor ogen zweeft wanneer hij denkt aan het stierenvechten, waant de ‘torero’ (verzamelnaam voor alle types stierenvechters) zich verwikkeld in een mythisch gevecht tegen het duister. Een duister dat niet zozeer bestreden wordt als wel de vorm aanneemt van een ‘intieme dans’. Matthijs Plak, een student filosofie die zich ver houdt van het wedstrijddebat, vertelt. Over God, moed en kunst in Mexico.

Kunst

‘Als je jezelf ontstijgt, wanneer je jezelf verlaat, creëer je kunst.’ Het is broeierig heet in de stilte van de middag. Slechts af en toe zijn de takken te horen in wier schaduw wij beschutting zochten. Naar rechts kijkend danst een nevel van zand over de breedte van de vlakte waar zojuist nog getraind werd door Armando, Ricardo, Germán en Thomas, samen goed voor meer dan honderd jaar ervaring in de arena. ‘Met sport heeft het weinig te maken. Eerder met kunst en religie.’ Ik ken ze nog geen vijf minuten en nu al is er plaats in de kring van ervaring. ‘Kijk,’ zegt Armando, ‘alle kunst en sport begon eigenlijk met ‘tauromaquia’ (stierenvechten). De eerste vormen van kunst die gevonden zijn, grotschilderingen van pakweg veertigduizend jaar geleden, beelden al de strijd tussen jager en gejaagde af. De jacht op bizons en ander groot wild vormde zo’n essentieel onderdeel van het leven, dat dit als inspiratiebron diende voor menig schildering.’ ‘En op zichzelf een kunst werd,’ voegt Ricardo toe, een sigaret rollende. Waaruit de kunst precies bestaat? Uit het vermogen te communiceren met het publiek, jezelf te ontstijgen in de arena en iets te creëren dat groter is dan jij, anders ook. Een diep gerommel los te maken in het publiek, in de vorm van een gedragen ‘Olé’ uit de kelen van de toeschouwers, die de ontwikkeling van de bewegingen over de jaren hebben waargenomen.

Religie

Maar tauromaquia als kunst is slechts het halve verhaal. Daarnaast bestaat nog de religieuze zijde die voor menigeen minstens even belangrijk is. ‘Al in de tijd van de Babyloniers werden er stierengevechten georganiseerd. De stier heeft altijd het duister verbeeld en dient dus overwonnen te worden ten overstaan van het volk.’ En niet alleen vroeger speelde religie een rol. Ook vandaag is het blijkbaar onmogelijk een foto te maken van alleen de torero in de arena. ‘Je hebt er altijd drie te pakken als je een foto van hem probeert te maken,’ kan Armando ons vertellen. ‘De matador, de stier en God.’ En ook het publiek is onderdeel van de spiritualiteit, daar zij een catharsis ondergaan in de waarneming van een gevecht op leven en dood. De beleving van Germán kan ook als religieus worden omschreven. ‘In de tijd van de Vikingen werd er soms recht gesproken op de volgende manier. De mensen tussen wie een dispuut bestond legden beiden een hand in het vuur. Degene die zijn hand als eerste terugtrok, loog. Nu, zo is het ook in de arena. Als je kunt blijven staan, weet je dat je in handen van God bent, dat niets je kan gebeuren.’

Honderdvijftig Procent

En om nog maar eens aan te geven dat tauromaquia daadwerkelijk meer is dan welke sport of andere kunstvorm ook, geeft Ricardo toelichting op de eigenschappen die een torero moet bezitten. ‘Tijdens een confrontatie in de arena heeft een torero vijfenzeventig procent moed nodig en vijfenzeventig procent vermogen tot voorbereiding. De moed is nodig om een aanval van de stier te weerstaan, je niet om te draaien en te rennen, maar zelfs een pas naar voren te maken op het moment dat vierhonderd en vijftig kilo vechtlust op je af dondert. Je voelt het in de grond, de trilling, het gedreun. Dan moet je boven jezelf uitstijgen, en het dier met techniek overmeesteren. En voor die techniek heb je heel veel training nodig, kracht, uithoudingsvermogen, vandaar de tweede helft van vijfenzeventig procent.’ Nu lijkt het ook Germán opgevallen te zijn dat twee maal vijfenzeventig meer dan honderd is en hij komt loom overeind van zijn stronk. ‘Jáááá zèg! Dat kan toch niet! Er zijn maar honderd procenten!’ ‘Juist daarom,’ antwoordden Ricardo en Armando, ‘tauromaquia is een kunst, je creëert meer dan de som van de delen.’ ‘Bovendien,’ kan Armando toevoegen, ‘de confrontatie met een stier is als de beklimming van de Everest. Zo zwaar!’ En dat lijkt Germán en Thomas wel te bevallen. Ze blijven knikken wanneer Ricardo de volgende uitspraak lanceert. ‘Een goede torero is als een legpuzzel. Geen stukje te veel, geen stukje te weinig. Alleen zo kun je boven jezelf uitstijgen.’

Lees woensdag het tweede deel van het artikel op SevenTwenty, om 16.00.

 

De Leiden Mace 2011

Eens in de zoveel tijd duikt er, vaak gevolgd door veel discussie, een nieuw toernooi-initiatief op in de debatwereld. Waar de UCU Debating Union vorig jaar het eerste Iron Man toernooi organiseerde, kwam Leiden dit jaar met de Leiden Mace 2011.

In navolging van de Mace in Ierland, Engeland, Schotland en Wales zou dit toernooi een epische strijd tussen verenigingen worden, waarbij elke vereniging haar beste team mocht sturen. Daarnaast konden verenigingen teams opgeven voor wildcards. Op die manier zouden de beste 16 verenigingsteams van Nederland afreizen naar Leiden, gevolgd door fans, hooligans en spandoeken.

De Twenties

Om tien uur zou het spektakel in Leiden beginnen. Van tevoren was aangekondigd dat het feest in Roaring Twenties stijl zou zijn, en ‘s ochtends vroeg bleek al dat velen daar niet op hadden gewacht: van stijlvolle hoedjes tot wandelstokken en veren, van een sigaar tot een compleet kostuum met bretels en hoed van de CA Adriaan Andringa, vrijwel alle debaters hadden hun best gedaan.

Op wat organisatorische probleempjes na, die snel opgelost warden met behulp van een felblauw autootje en een naburig café, verliep de dag vlekkeloos. Het eten was goed en in overvloed aanwezig, de gesprekken gezellig, en het restaurant was prima.

De Debatten

Met drie voorrondes van 7 minuten zonder powerranking maar met random indeling, was dit toernooi al snel onderscheidend. Het CA-team nam aan dat de beste teams van de verenigingen die 7 minuten wel aankonden, en dat bleek ook zo te zijn. Sterker: veel debaters waardeerden het dat ze nu tijdens de voorrondes ook eens iets langer de tijd hadden om concepten als moraliteit, democratie en privacy eens grondig te analyseren: de extra twee minuten scheelden veel.

Dat het niveau hoog lag, en vrij dicht bij elkaar, bewezen de lengte van het juryoverleg en de tab. De top-5 sprekers staan allemaal binnen 1,5 sprekerspunt van elkaar (wat op een schaal van 0-100 per debat redelijk close is), en de beste sprekersprijs werd na een gelijke stand aan Sarie Muijs toegekend op basis van standaarddeviatie.

Ook was het erg spannend welke teams door zouden gaan naar de finale: de teams op plaats 3, 4, en 5 stonden allemaal slechts 1 sprekerspunt uit elkaar (en hadden een gelijk aantal teampunten). Het team op plaats zes had meer sprekerspunten dan alle drie die teams, maar kwam 1 teampunt tekort voor de finale.

De spanning zette door

De spannende dag zette zich voort in een spannende finale, waarin gedebatteerd werd over het toekennen van arrestatiebevoegdheden aan het ICC. Na afloop was ere en zeer lang juryberaad nodig om een winnaar aan te wijzen, wat voor de debaters in de finale nagelbijten was (en Tomas en ik ons zorgen maakten of dit de zoveelste finale op rij zou worden die we verloren). Vanuit het publiek waren verschillende geluiden te horen over wie er gewonnen had. Uiteindelijk bleek team UDS 2 bestaande uit Tomas Beerthuis en mijzelf dan nu toch aan het langste eind getrokken te hebben, tot onze grote opluchting!

Speciaal toernooi

Van tevoren was dit toernooi gepromoot als een special toernooi: thema, niet zomaar voor iedereen open en een echte strijd tussen de verenigingen. Daar waar het thema goed nageleefd werd, was het jammer dat er uiteindelijk slechts 12 teams aanwezig waren. Gelukkig maakte, vooral in de finale, het vrij grote publiek(of fans, hooligans) een hele hoop goed.

Dit jaar leek het toernooi nog steeds een strijd tussen teams te zijn, in plaats van tussen verenigingen. Juist in een tijd waar veel debaters gemakkelijker met debaters van andere verenigingen naar een toernooi gaan, waar grenzen tussen verenigingen langzaam vervagen, en alleen Bonaparte nog regelmatig haar verenigingsliederen zingt bij finales, zou het mooi zijn als dit initiatief volgend jaar voortgezet wordt. Als “ De Mace” langzamerhand een echt begrip wordt, zal er binnen verenigingen ook meer strijd gaan ontstaan om die ene zekere teamplaats. Dan kan in ieder geval een keer per jaar een ware strijd der verenigingen losbarsten. Gewoon, omdat het stiekem toch wel eens leuk is de Groningers in te wrijven dat ze eigenlijk in het buitenland wonen, de Amsterdammers dat ze bang zijn voor alle steden buiten hun eigen, de Utrechters dat het midden eigenlijk ook maar saai is, en de Rotterdammers dat ze alleen maar over economie kunnen praten. Een gezamenlijke vijand verbroedert immers, en wat is nou een mooiere manier om het jaar mee af te sluiten?

Vacatures: zet je in voor het bondsbestuur!

Wil jij je inzetten voor het wedstrijddebat in Nederland? Wil jij op strategisch niveau op zoek gaan naar oplossingen voor de debatwereld? Kun je vanuit een positie boven de partijen verschillende belangen goed bijeenbrengen? Overweeg dan eens om te solliciteren naar een bestuursfunctie bij de Nederlandse Debatbond.

Op dit moment heeft de Debatbond twee vacatures voor bestuursfuncties met ingang van september/oktober 2011.

Functieomschrijvingen

Om een beter idee te geven van wat de functies inhouden, staan hieronder omschrijvingen van de openstaande functies. Naast de taken die onder een specifieke functie vallen, kan het bestuur onderling afspraken maken over de verdeling van de overige taken.

Het bestuur komt maandelijks bijeen. Gemiddeld is een bestuurslid 6-8 uur per week bezig met werk voor de Debatbond.

Penningmeester

De penningmeester beheert de financiën van de Nederlandse Debatbond. Dit omvat het beheren van de rekening en het uitvoeren van transacties. Verder is de penningmeester verantwoordelijk voor het opmaken van de begroting voorafgaand aan een nieuw boekjaar en het financieel jaarverslag na afloop. Verder onderhoudt de penningmeester het contact met de financiële adviescommissie.

Naast zijn financiële taken is de penningmeester verantwoordelijk voor toezicht op de naleving van de statuten, reglementen en andere regelgeving. Ten slotte is de penningmeester de beheerder van het archief, in zoverre de secretaris de stukken opstelt.

Algemeen bestuurslid (alumni & evenementen)

Dit algemeen bestuurslid houdt zich bezig met alumnibeleid en evenementen van de Debatbond. Daaronder vallen de netwerkborrels. Verder is dit bestuurslid verantwoordelijk voor het contact met alumni en organiseert hij een jaarlijkse activiteit voor deze doelgroep. Daarnaast is deze persoon verantwoordelijk voor het (doen) organiseren van de Masters en het beheren van de Nederlandstalige Debatranglijst. Verder is een algemene bestuursfunctie een op maat gesneden functie en staan we open voor verdere ideeën om invulling te geven aan deze functie.

Functie-eisen

Uiteraard draag je het wedstrijddebat een warm hart toe. Je kunt boven de partijen staan, zelfstandig werken en samenwerken in teamverband gaat je goed af. Je hebt visie, ideeën en plannen over hoe de Debatbond beter zou kunnen worden. Diversiteit (o.a. qua verenigingslidmaatschap) en bestuurservaring bij een debatvereniging zijn een pre.

Verder zijn er een aantal formele vereisten:

  • Je bent minimaal een jaar lid van de Nederlandse Debatbond en bent meerderjarig (art. 8.2 Statuten).
  • Je hebt geen bestuursfunctie bij een debatvereniging of debatorganisatie ten tijde van de benoeming in het najaar (art. 8.10 Statuten).

Procedure

Stuur vóór vrijdag 14 juli 2011 je c.v. met korte toelichting van je motivatie naar secretaris@debatbond.nl. Je wordt dan uitgenodigd om met het bondsbestuur te komen praten. Vervolgens beslist het bondsbestuur in augustus wie zij voordraagt voor welke functie. Tijdens de bondsraad van eind september/begin oktober wordt de voordracht door de bondsraad behandeld.

Mocht je nog niet zeker weten of het bestuur bij jou past of gewoon meer informatie willen, dan kun je vrijblijvend in contact komen met een bestuurslid die daar graag met je over praat. Ook dan kun je een mailtje sturen naar secretaris@debatbond.nl met het verzoek teruggebeld te worden.

The case against case files

De afgelopen twee weken zijn er op SevenTwenty twee artikelen verschenen die pleiten voor het gebruik van case files bij debatten. Allereerst wees Rooj Darweesh op het nut van tijdsbesparing bij het voorbereiden van debatten en legde hij vooral focus op de voordelen die case files kunnen hebben voor beginnende debaters. In het volgende artikel voegde Eric Stam nog een argument toe: dat het geen oneerlijke voorsprong geeft aan debaters die case files gebruiken, omdat het iedereen vrij staat een case file te maken.
Er zijn echter een aantal bezwaren te bedenken op het verschijnsel van case files, die in dit artikel aan bod komen. Het doel van dit artikel is dus om even stil te staan bij mogelijke nadelen voor de debatsport als geheel wanneer case files massaal gebruikt gaan worden.

Case files als verplichting

Wanneer we de lijn van Rooj en Eric volgen dat case files inderdaad grote voordelen bieden aan debaters, dan mogen we er van uit gaan case files in de toekomst vaker gebruikt gaan worden. Het probleem hiervan is dat dit de debatsport als geheel minder aantrekkelijk zal maken voor eventuele geïnteresseerden. Een te sterke toename van het gebruik van case files zal tot gevolg hebben dat men op toernooien steeds meer zal gaan merken dat mensen die gebruik maken van case files beter presteren dan mensen die dat niet doen. Daardoor zal er voor mensen die nog geen case files gebruiken en die wel in de top mee willen draaien een soort drang gevoeld worden om ook gebruik te gaan maken van case files. Het probleem hier van is echter dat lang niet iedereen tijd heeft om zulke case files aan te leggen, en ook heel veel mensen die moeite niet willen nemen.
Wanneer de debatsport zichzelf in een situatie manoeuvreert waarin het min of meer een verplichting lijkt om als debater een case file aan te leggen zal de sport minder aantrekkelijk worden om aan te beginnen. Veel geïnteresseerden haken tijdens open avonden van verenigingen al af omdat het er uit ziet alsof het allemaal wel heel veel werk is, dat debatteren. Je moet een zekere parate kennis hebben, je moet deelnemen aan toernooien, vaak jureren, en vooral heel erg veel oefenen om goed te worden, zo wordt beginners vaak voor gehouden. En dat is natuurlijk ook waar. Wanneer je daar ook nog het aanleggen van een grote case file aan toevoegt zullen minder mensen geneigd zijn te starten met debatteren.

Pronken met andermans veren

Rooj en Eric gaan in hun artikelen vrijwel alleen uit van mensen die hun eigen case files maken. Wanneer er echter een situatie ontstaat waarin het creëren van case files als een verplichting voelt, zullen er mensen zijn die niet de tijd en moeite kunnen of willen steken in het ontwikkelen van een case file, maar die toch gebruik willen maken van de voordelen. Hier kan het gebeuren dat mensen gebruik gaan maken van de case files van anderen: iets dat nu ook al gebeurt, zij het niet op grote schaal. Hiermee werk je twee negatieve effecten in de hand: debaters denken niet meer zelf na over ideeën maar geven simpelweg de ideeën van andere debaters weer, en alle debatten gaan op elkaar lijken als iedereen vergelijkbare case files gaat gebruiken. Debatteren wordt meer voorspelbaar, en daarmee ook minder interessant.

De charme van debatteren

Iets dat veel mensen aanspreekt aan debatteren is het idee dat debaters de arena betreden met slechts hun parate kennis en hun eigen vermogen om logisch te redeneren. Vanuit die gedachte is debatteren echt een strijd tussen geesten, een ware denksport. Een denksport als schaken heeft een soortgelijke charme: een krachtmeting tussen geesten, die met niets dan hun inzicht en hun ervaring elkaar proberen te verslaan. Wanneer case files massaal gebruikt gaan worden verdwijnt ook een deel van deze charme: in plaats van een zuivere strijd tussen geesten wordt er iets anders meegenomen: het resultaat van eerdere debatten, uitgewerkt in een case file. Hiermee verdwijnt iets van de puurheid van debatteren, net zoals er iets van de puurheid van het schaken zou verdwijnen als topschakers allemaal met een hele bibliotheek aan schaakboeken en uitwerkingen van al hun eerder gespeelde partijen naar een schaakwedstrijd zouden komen.

Live Update Leiden Mace

Vanuit Leiden is vandaag de Mace: een zinderende strijd tussen de debatverenigingen van Nederland. Wij updaten vandaag via deze post en Twitter over de gebeurtenissen op en rondom dit 20s-feest! Houdt ons goed in de gaten!

10.28: We verwelkomen de debaters búiten het Kamerlingh Ohnes Gebouw, want de conciërge is te laat. CA Adriaan Andringa – stijlvol gekleed in thema, inclusief sigaar en moonshine – leidt de debaters naar een kroeg om de dag stijlvol te beginnen. Om 11.00 uur vangt het toernooi aan! Hopelijk ook met alle teams; één Bonapartiaan heeft de weg naar Leiden nog niet kunnen vinden.

11.00 En we zijn begonnen! Alle teams zijn gelukkig om 11 uur ter plaatse voor het eerste debat van vandaag. De stelling voor ronde 1 luidt: Deze Kamer legt geen beperkingen op aan bedrijven of particulieren omtrent politieke donaties.

12.55: Na een snelle lunch gaan we door met ronde 2: Deze Kamer eist toegang tot alle datagegevens van alle Nederlanders.

14.45: Na een leuke tweede ronde te hebben gezien, over Orwelliaanse overheden, webcamseks en de uitroep dat niets op het internet privé is (ook dit blog uiteraard niet), gaan we over tot de derde en beslissende ronde. Alle debatten zijn zonder feedback gehouden, dus de spanning is slopend. Om 19.00 word de finale gehouden op het SSR: ben je in de buurt, kom vooral langs!
Stelling voor ronde 3: Deze Kamer vindt een hoog ontwikkelingsbudget een morele plicht.

1:54: Na een lange trektocht door het Leidsche avondland, zijn we weer in bereikbare gebieden. De finale, over de stelling “Deze Kamer vindt dat het Internationaal Strafhof misdadigers moet terechtstellen van landen die het Hof niet erkennen”, werd vanuit tweede propositie gewonnen door Tomas Beerthuis en onze eigen hoofdredacteur Danique van Koppenhagen (UDS). Verder in de finale stonden Sarie Muijs en Alies Uilen (Bonaparte, 1e propositie), Floor de Koning en Jeroen Dokter (eerste oppositie) en Luciën de Bruin en Abo al Jaberi (EDS).

Het niveau lag zeer dicht bij elkaar: het vijfde team op de tab eindigde op slechts één sprekerspunt minder dan de nummer vier. Ook de beste sprekersprijs moest met een minieme standaarddeviatie berekend worden: uiteindelijk ging Sarie Muijs ten koste van Danique van Koppenhagen er met deze prijs vandoor.

Het feest, in een zompig SSR-hol had de grauwe sfeer van de jaren ’20, inclusief haperende muziekinstallatie en goedkope drank.

Zondag

Op een verjaardag, ergens in een container in Den Haag, heeft de redactie de tab van de organisatie in handen gedrukt gekregen. Deze staat hieronder:

Teamtab

Rank Teams Spreker 1 Spreker 2 R 1 R 2 R 3 Totaal Totaal sprekerspunten
1 Bonaparte 2 Sarie Muijs Alies Uilen 3 3 2 8 469
2 EDS 2 Abulhassan al-Jaberi Luciën de Bruin 3 1 3 7 467
3 UDS 2 Danique van Koppenhagen Tomas Beerthuis 1 2 3 6 468
4 GDS Kalliope Floor de Koning Jeroen Dokter 2 2 2 6 467
5 EDS 1 Lars Duursma Jeroen Heun 3 1 2 6 466
6 LDU 1 Thom Wetzer Wieger Kop 1 3 1 5 469
7 LDU 2 Ali al Khatib Fleur Praal 2 2 1 5 467
8 UDS 1 Heleen van ’t Spijker Sander Kupers 1 3 0 4 452
9 Bonaparte 1 Jeanette Gelauff Anne Valkering 0 1 3 4 451
10 DSDC Menno Schellekens Azer Aras 2 0 0 2 442
11 SocRAtes Bas Tönissen Jair van de Stelt 0 0 1 1 440
12 Cicero Daniël Setzpfand Jordy van Lith 0 0 0 0 416

Sprekertab

Rank Spreker R 1 R 2 R 3 Totaal Gem. Standaard-deviatie
1 Sarie Muijs 81 80 78 239 79,7 1,527525232
2 Danique van Koppenhagen 77 81 81 239 79,7 2,309401077
3 Floor de Koning 77 78 82 237 79 2,645751311
4 Wieger Kop 78 81 77 236 78,7 2,081665999
5 Luciën de Bruin 80 75 80 235 78,3 2,886751346
5 Jeroen Heun 79 76 80 235 78,3 2,081665999
7 Ali al Khatib 78 79 77 234 78 1
8 Thom Wetzer 74 83 76 233 77,7 4,725815626
9 Fleur Praal 80 75 78 233 77,7 2,516611478
10 Abulhassan al-Jaberi 76 76 80 232 77,3 2,309401077
10 Alies Uilen 80 76 76 232 77,3 2,309401077
12 Lars Duursma 80 76 75 231 77 2,645751311
13 Jeroen Dokter 76 77 77 230 76,7 0,577350269
13 Anne Valkering 74 77 79 230 76,7 2,516611478
13 Sander Kupers 76 79 75 230 76,7 2,081665999
16 Tomas Beerthuis 75 79 75 229 76,3 2,309401077
17 Bas Tönissen 76 74 75 225 75 1
18 Menno Schellekens 75 74 73 222 74 1
19 Heleen van ’t Spijker 73 77 72 222 74 2,645751311
20 Jeanette Gelauff 71 74 76 221 73,7 2,516611478
21 Azer Aras 76 74 70 220 73,3 3,055050463
22 Jaïr van der Stelt 69 74 72 215 71,7 2,516611478
23 Daniël Setzpfand 71 68 70 209 69,7 1,527525232
24 Jordy van Lith 69 70 68 207 69 1

Wat is waar?

Roel Becker, een vierdeklasser op het Stedelijk Gymnasium Nijmegen die actief is binnen hun debatclub Spatha Rhetoricae,  vraagt zich af hoe waarheid in het debat gezien moet worden, en of CA-teams de “waarheid” niet vaker vantevoren vast moeten stellen.

De manier waarop de analyse van een ingewikkeld argument gebracht moet worden is redelijk simpel: je begint met een axioma, een algemeen aanvaarde stelling, en gaat vervolgens in logische denkstappen naar de conclusie, die in het voordeel van je case werkt. Aangezien het doorsnee publiek van SevenTwenty volgens mij zeer goed in staat is zijn of haar argument op een fatsoenlijke manier uit te leggen, zal ik daar verder geen woorden aan wijden. In dit stuk zal ik echter wel bespreken hoe ver je terug moet analyseren voordat je daadwerkelijk bij een axioma uitkomt, met andere woorden: voordat je een claim niet langer hoeft te verantwoorden, en het probleem dat er op dit moment in de status quo is met de kwestie. Daarna zal ik drie mogelijke oplossingen geven.

Het is immoreel!
In de afgelopen finale van Op weg naar het Lagerhuis kwam er tijdens een niet bijster inspirerend debat over het gebruik van invalidenkarretjes door jongeren de claim voorbij dat het immoreel was om als niet-gehandicapte in zo’n karretje te rijden. Het bleef hier bij een claim, maar kennelijk was dit genoeg voor de finalejury van OWNHL, deze jongen won namelijk mede door dit ‘argument’ het debat. In een parlementair debat is dit natuurlijk ondenkbaar, je kunt er nooit van uitgaan dat de gemiddelde kwaliteitskrantenlezer die elk debat jureert ook vindt iets zomaar immoreel is, sterker nog: in sommige gevallen win je een debat puur door uit te leggen waarom iets immoreel is.

Democratieën zijn toch gewoon goed?

In één van mijn eerste debatten, op het afgelopen DTU over de een stuk inspirerender stelling: Deze Kamer biedt Turkije en Egypte lidmaatschap aan van de EEG als beloning voor verregaande democratische hervormingen was ik erg verbaasd toen de tweede propostie tweede werd in het debat door simpelweg uit te leggen waarom een democratie de beste staatsvorm is. Voor mij, als niet-debater, had dit altijd vastgestaan.

Probleem binnen jury’s
In de status-quo wordt dus over het algemeen aan een jury overgelaten te bepalen wat als axioma aangemerkt mag worden, en welke claims onderbouwd moeten worden. Het spreekt uiteraard voor zich dat dit zeer belangrijk is in de uitslag. Als de chair van het debat uit mijn tweede voorbeeld het ook vanzelfsprekend vond dat democratie de beste staatsvorm is, is de extensie van de tweede propositie totaal irrelevant en verliezen zij het debat. Als je echter stelt dat dit wel degelijk relevant is, zou je deze lijn eigenlijk dus moeten doortrekken, en zeggen dat de eerste propositie zeer relevant materiaal heeft gemist, en dus het debat in principe zou moeten verliezen.

Hetzelfde geldt voor debatten waar de teams een bepaalde aanname doen. Een voorbeeld hiervan is een debat over milieu. Warmt CO2 de aarde nou wel of niet op? De gemiddelde wetenschapper is er nog niet uit, laat staan de kwaliteitskrantenlezer.

Aangezien ik me goed kan voorstellen dat meningen van juryleden hierover dus ook verschillen lijkt er wel degelijk sprake te zijn van een probleem.

Probleem tussen debaters
Een ander probleem kan zijn dat debaters van mening verschillen over wat voor waar aangenomen mag worden; als de eerste propositie in het DTU-debat er ook van uitging dat een democratie gewoon de beste staatsvorm is, hebben zij ronduit pech, terwijl mij dit toch, zeker voor minder ervaren debaters, geen hele rare zienswijze lijkt. Ook de uitspraak: ‘dan onderbouw je maar alles’ lijkt onzin, dan zou namelijk de eerste spreker van de propositie zijn hele speech kwijt zijn aan uitleggen dat het debat plaatsvindt, en dat elke term die in het debat gebruikt word ook daadwerkelijk bestaat: zonder axioma wordt het lastig argumenten brengen.

Naar mijn mening zijn er voor het probleem dat er zowel tussen debaters als juryleden, en debaters onderling verschillen kunnen bestaan over wat een axioma is drie mogelijke oplossingen.

Oplossing 1: het overlaten aan de juryleden (de status quo)

In het geval van deze oplossing laat je de jury bepalen wat een gemiddelde krantenlezer nog als ‘waar’ aan zou nemen, en ga je ervan uit dat debaters dit goed kunnen inschatten, onderling overeenstemming bereiken, en dat de jury het er uiteraard ook binnen verschillende kamers over eens is wat een axioma is, mij lijkt dit ronduit irreëel.

Oplossing 2: het overlaten aan de debaters

Deze oplossing wordt volgens mij onbewust ook nog wel eens toegepast, en kan volgens mij zeker ook werken: je gaat ervan uit dat alles dat niet door de tegenstander succesvol is aangevochten en onderuitgehaald waar is, en debaters doen hetzelfde. Je kan dit ook vastleggen in juryvoorschriften, dit lijkt een fijne oplossing maar kan, zeker in een BP-debat problemen opleveren:

Bij bijvoorbeeld de stelling: Deze Kamer bestraft iedereen die op enigerlei wijze medeplichtig is aan genocide is het helemaal niet gek als de eerste propositie er vanuit gaat dat genocide slecht is, het is zelfs zo dat ‘genocide is slecht’ als squirrel wordt benoemd. De eerste oppositie zou hier dus zomaar in mee kunnen gaan. Als nou echter de tweede oppositie aanvecht dat genocide slecht is, gebeuren er twee negatieve dingen: allereerst heeft de eerste propositie geen eerlijke kans zijn eigen claims uit te leggen, ervan uitgaande dat dit niet in één POI te doen is. Ten tweede moet de tweede propositie dan misschien als weerlegging een claim gaan uitleggen die totaal niet relevant is voor hun case. Hierdoor zijn zij dus eigenlijk tijd kwijt aan het verdedigen van een argument van hun concurrent.

Deze oplossing lijkt mij dus ook niet geheel ideaal. Verder is er natuurlijk het risico dat het hele debat gaat over de rechtvaardigheid van één claim, het lijkt mij ook niet al te leuk om in zo’n kamer terecht te komen.

Oplossing 3: het overlaten aan het CA-team

Deze oplossing is behoorlijk revolutionair, maar wat mij betreft redelijk simpel, en een goede oplossing voor de problemen. Naast de infosheets die je nog wel eens achter stellingen ziet, kan je onder elke stelling een lijstje maken van dingen die verplicht aangenomen moeten worden.

In bijvoorbeeld het debat over de stelling: This House Would use war to spread democracy (Oxford Schools) kunnen bijvoorbeeld twee aannames verplicht worden gesteld: democratie is goed, en oorlog is slecht. Dat zal geen negatieve invloed op het debat hebben, terwijl het wel een aantal mogelijke problemen ondervangt.

Verder geeft dit plan het CA-team meer mogelijkheden, zo kan je bijvoorbeeld dingen verplicht gaan stellen die absoluut niet echt het geval hoeven te zijn. In bijvoorbeel het debat over de stelling: This House Would allow women to carry Self-Defence Accessories (finale Dutch Schools) kan je bijvoorbeeld verplicht stellen aan te nemen dat vrouwen per definitie fysiek zwakker zijn dan mannen, om een flauw oppositielijntje weg te halen. Door deze maatregel zijn zelfs scenariostellingen op een hele simpele manier mogelijk, door aannames verplicht te stellen als: ‘Deze Kamer is iemand die op een brug staat.’
Op deze manier kan je natuurlijk ook beginnende teams op bijvoorbeeld scholierentoernooien behoeden voor een veel te moeilijk verdedigbare definitie, of de hele kamer voor een squirrel door een fout opgezet debat.

Al met al denk ik dus dat er wel degelijk een probleem is in de status quo, en dat de derde oplossing dit voor een groot deel ondervangt. Ik hoop hiermee de discussie aan te zwengelen.

The case for case-files II

Eric Stam reageert op Rooj’ artikel over case files.

WSDC-coach Rooj Darweesh heeft vrijwel altijd goede tips paraat om enthousiaste beginnende debaters te helpen in hun ontwikkeling. In zijn artikel The case for case-files vorige week op SevenTwenty raadt hij beginnende debaters aan om een case-file bij te houden om een competetief voordeel te verkrijgen ten opzichte van andere deelnemers in het veld. Een goed maar ook een overbodig advies.  Het staat iedereen vrij om case-files aan te leggen, en het is niet moeilijk om in te zien hoe een denk- en kennisvoorsprong ten opzichte van andere teams behulpzaam kan zijn bijhet voeren van een debat. Maar hoe krijg je beginnende debaters zo ver om daadwerkelijk case-files aan te gaan leggen?

Heiligschennis

Ik heb eerder wel eens het voorstel gedaan om per toernooi één stelling vooraf bekend te maken, oftewel ‘pre-releasen’. Dit levert vaak goede resultaten op, maar er is in Nederland veel weerstand tegenover het concept. Jeroen Heun, chief adjudicator van het Nederlands Kampioenschap eerder dit jaar, vindt pre-releasen bijvoorbeeld ‘in strijd met de essentie van het wedstrijddebat’. Blijkbaar is debatteren niet ‘echt’ als het niet altijd op precies dezelfde manier, met hetzelfde format, dezelfde spreektijd en dezelfde voorbereidingstijd wordt georganiseerd. Daarvan afwijken lijkt wel een vorm van heiligschennis.

Dat klinkt natuurlijk een beetje dogmatisch, en dat is het ook. Wie beweert dat een wedstrijdje schaatsen over 500 meter ingaat tegen de essentie van 1000 meter schaatsen, heeft een punt. Wie beweert dat 500 meter schaatsen geen schaatsen is, omdat schaatsen nu eenmaal over 1000 meter behoort te gaan, is niet goed bij z’n hoofd.

Het bouwen van case-files is een advies die een debattrainer aan scholieren (bijna) nooit hoeft te geven: typische ‘’scholierentoernooien’’ werken altijd met stellingen die ruim van tevoren zijn aangekondigd. Dus scholierenteams die echt willen winnen, bereiden zich vaak verschrikkelijk goed voor. Wat dat betreft hebben (voormalige) scholieren met debatervaring vaak al een voorsprong op mensen die pas tijdens hun studie met debatteren in aanraking komen: ze hebben meer argumenten, feiten en frames paraat.

Opgebouwde denkvoorsprong

Dat geldt niet alleen voor debaters uit het scholierencircuit. Ook in het studentencircuit leggen veel succesvolle teams op de een of andere manier casefiles aan. Die teams onderkennen m.a.w. het nut van een opgebouwde denk- en kennisvoorsprong.

Dit brengt me bij een belangrijk punt: als case-files al zoveel gebruikt worden, en vrijwel alle succesvolle teams het nut van een opgebouwde denk- en kennisvoorsprong onderkennen, wat maakt dan dat een langere voorbereidingstijd ‘in strijd is met de essentie van het wedstrijddebat’? Het opbouwen van een denk- en kennisvoorsprong is niets anders dan een extentie van de normale voorbereidingstijd.

Gelijke kansen

Daarom heeft het ook geen zin om voor of tegen case-files te zijn: het staat iedereen immers vrij om case-files aan te leggen. Tegenstanders kunnen zich zorgen maken over de vraag of debaters aan creativiteit inboeten als ze veel met case-files werken. Voorstanders kunnen proberen om die vrees te logenstraffen. Kennis kan zeker een handicap zijn (de beruchte ‘vloek der kennis’) maar dat is een bezwaar waar teams die werken met case-files zelf mee moeten zullen omgaan. Uiteindelijk gaat het erom hoe teams het doen in de debatten, en is het de jury die beslist.

Maar als we wedstrijddebatten toegankelijker willen maken, is het pre-releasen van één of enkele stellingen per toernooi geen gek idee. Beginners hebben dan in ieder geval in die rondes een reele kans om op basis van een gelijkwaardig kennisniveau het debat aan te gaan met teams die al jarenlang case-files bijhouden over uiteenlopende onderwerpen varierend van interne conflicten in Zuid-Ossetie tot en met gemeentelijke belastinghervormingen. Het zorgt voor meer aansluiting bij het scholierencircuit en verkleint ook de overgang van circuits zoals MUN. Mijn voorspelling is dat het de kwaliteit van argumenten  in debatten zeker niet zal schaden: waarom zouden we ons nooit langer dan 15 minuten permitteren om na te denken over de meest nijpende problemen waar de wereld mee kampt?

The case for case files

Enthousiaste beginners houden zich vaak bezig met de vraag hoe ze beter kunnen worden in debatteren. Ze zijn wekelijks te vinden bij hun vereniging, lopen alle toernooien af en wonen iedere specialistische sessie bij. Debatteren wordt al gauw een uit de hand gelopen hobby, waar de ambitieuze beginner iedere week veel tijd aan kwijt is. Meestal sorteert dit harde werk, in combinatie met talent, uiteindelijk het beoogde resultaat. Toch zien veel debaters een makkelijke kans over het hoofd: case files. Dit zijn uitwerkingen van stellingen die zij zelf hebben opgesteld, die vóór en tijdens ieder debat geraadpleegd kunnen worden. Door een verzamelmap bij te houden met deze documenten hoeft de debater het wiel niet telkens opnieuw uit te vinden. Ook helpen case files om feedback van juryleden overzichtelijk te structureren en om weerlegging te anticiperen.

De basis

Case files kunnen gebruikt worden om stellingen over standaardonderwerpen, zoals bijvoorbeeld paternalisme, bij te houden. Ze vormen de basis van waaruit de debater kan argumenteren. Na ieder (moeilijk) debat kan de debater de stukken uitschrijven, waarin hij de opmerkingen van alle teams en de jury meeneemt. Tijdens de voorbereiding op een ander debat kan de debater daar vervolgens relevante passages uitpikken. Dit bespaart tijd in het uitschrijven van denkstappen van complexe analyses, wat dikwijls minuten afsnoept van de voorbereidingstijd. Zodoende houdt de debater meer tijd over voor strategische keuzes, zoals de framing van het debat of welke argumenten hij het eerst introduceert. Daarnaast is het handig om de files regelmatig bij te houden. Dat maakt het gemakkelijker om een analyse in toegepaste vorm te gebruiken. Een lijst met case files neemt toe naarmate de debater meer ervaring opdoet en kan uiteindelijk een groot aanbod van onderwerpen behelzen. Soms is het zelfs mogelijk om inhoud letterlijk te kopiëren, aangezien veel stellingen sterk op elkaar lijken.

Tijd besparen

Een boel debaters gelooft niet zo in case files. Toegegeven, veel van de beste debaters nemen niet meer dan pen en papier mee naar een debat. Zij lepelen analyses gemakkelijk op en doen daarbij geen beroep op een debatmap. Maar vergeet niet dat het meestal jaren geduurd heeft voordat ze hun analyses konden toepassen. Het korte kwartier aan prep time eist van iedere debater dat hij zijn tijd zo efficiënt mogelijk indeelt. Dat is voor iemand met pakweg vijf jaar ervaring makkelijker dan voor een beginner. Want ook al begrijpt de beginner het onderwerp evengoed, dan kost het hem alsnog extra tijd om de exacte denkstapjes eerst op zijn blaadje uit te werken. In dergelijke gevallen vergemakkelijkt een case file over bijvoorbeeld het legaliseren van hard drugs de voorbereiding en geeft het hem een competitief voordeel ten opzicht van andere debaters.

Bezwaren

Er zijn wel zaken waar debaters rekening mee moeten houden bij het gebruik van uitgewerkte stellingen. Soms maken ze de debater minder flexibel. Wanneer een debater veel tijd heeft besteed aan het uitschrijven van een interessante case, wil hij die kennis ook graag gebruiken. Ook wanneer de eerdere interpretatie van de stelling dat niet toelaat. Vooral in het Brits-Parlementaire debat, waarin de tweede helft consistent moet blijven aan de eerste helft levert dit nog wel eens problemen op. Het is in dan nadelig dat de debater vóór het debat al een té sterk idee had van waar het debat heen moest gaan. Maar ook wanneer het materiaal juist consistent is met de eerst helft kan het problematisch zijn. Zo kan de eerste helft een argument net iets anders presenteren dan de tweede helft van plan was, wat de tweede helft ertoe beweegt om het argument van voor af aan te brengen. Dat kost tijd en is vaak onnodig. Toch zijn deze problemen niet onoverkomelijk. Met slechts een beetje ervaring kan een debater leren de juiste dosis van zijn eerdere ideeën aan te brengen en bovendien zijn de files hoe dan ook sterke voordelen als de debater zich in zwakkere kamers bevindt, waar het framework van de eerste helft zwak geweest is.

Een goed begin is het halve werk

Case files zijn zeker niet de oplossing van elk debatprobleem. Ze plaatsen beginners niet plots in finales. De kwaliteit van het debat hangt af van de kwaliteit van de geschreven stukken en dus van de debater zelf. Belangrijker nog is dat de debater flexibel en scherp reageert in het debat. Maar het nut van de documenten is ook niet om de beginner spontaan tot topdebater te verheven. Het nut is om tijd te besparen en de beginner te helpen bij analyses die hij eerder begrepen, maar nu niet precies kan herhalen. Daarmee behoort een goede debatmap, net als pen en papier, tot een belangrijk onderdeel van de voorbereiding.