D. Schut waarschuwt de debatwereld nog één keer, 4

doorBionda Merckens

D. Schut waarschuwt de debatwereld nog één keer, 4

Vraag een doorsnee debater wat ze weten van de hedendaagse argumentatieleer en u krijgt een blik leger dan het donkere hart van Gargamel. “Ik lees The Economist, dat is toch genoeg?”. Nee, dat is niet genoeg. Debatteren draait om argumentatie en argumentatie is een volwassen academische discipline waar debaters naar hartenlust uit zouden kunnen, nee, moeten putten. In deze reeks maak ik u een beetje wegwijs in die wereld, vandaag over…

Sociolinguïstiek

Mijn collega vraagt: “Wat vond je van mijn presentatie”. Ik antwoord: “Tja, het is best moeilijk een goede presentatie te geven…”. Inhoudelijk zeiden we vrijwel niets en toch gebeurde er in deze miniconversatie veel. Maar wat?

De sociolinguïstiek is historisch een uitvloeisel van de linguistic turn in de filosofie. Filosofen als John Austin, John Searle en Paul Grice vroegen zich af hoe mensen dingen doen met woorden.

Austin beschreef hoe elke uitspraak zowel inhoud (locutionaire kracht), bedoeld effect (illocutionaire kracht) en daadwerkelijk effect (perlocutionaire kracht) heeft en dus hoe elke uitspraak ook een taalhandeling is. Searle borduurde hierop voort en bracht de volgende vijf typen illocutionaire kracht in kaart:

Type illocutionaire kracht Voorbeeld
Directief: bevelen, verzoeken “Mag ik een pond kaas van u?”
Assertief: stellen, verdedigen, aanvallen, samenvatten “Dit is onjuist.”
Commissief: beloftes, dreigementen “Ik kom daar morgen bij u op terug.”
Declaratief: (institutionele) verklaringen Priester: “Ik verklaar u man en vrouw.”
Minister-president: “Ik verklaar de oorlog aan België.”
Expressief: gevoelsuitdrukkingen (bedanken en verontschuldigen) “Het spijt me.”

 

Sprekers kunnen illocutionaire kracht expliciteren of impliciet laten. Als mijn collega het raam dicht doet wanneer ik zeg “brrrr, frisjes”, dan heeft hij de illocutionaire kracht, mijn bedoeling, herkend, terwijl ik deze impliciet liet. Maar hoe achterhalen we de bedoelde impliciete boodschap? Hiertoe introduceerde Paul Grice zijn samenwerkingsbeginsel.

Dit samenwerkingsbeginsel stelt dat gesprekspartners over elkaar een normatieve opvatting hebben: wanneer u met mij in gesprek bent veronderstelt u dat ik mijn best doe mijn bijdrage waar (kwaliteitsnorm), informatief (kwantiteitsnorm), begrijpelijk (stijlnorm) en belangrijk (relevantienorm) te maken. Wanneer mijn letterlijke bijdrage dit beginsel schendt, zoekt u een alternatieve interpretatie in de illocutionaire kracht van die bijdrage. Zodoende weet u precies wat ik wil weten als ik u vraag: “Weet u de tijd?”. Alleen autisten en debaters antwoorden met: “ja” en laten het hier dan bij – de verbaasde, geërgerde blikken maken dan duidelijk dat er iets anders bedoeld werd dan er letterlijk gevraagd werd.

Maar hoe achterhaalt u in het eerste voorbeeld dat ik de presentatie van mijn collega ruk vond? Hiertoe introduceerde Erwin Goffman het begrip ‘face’. Face is de sociale status en identiteit die we elkaar, impliciet en expliciet, wederzijds toekennen in onze sociale interacties, onder andere middels rituelen en taalhandelingen. We kennen elkaar graag positieve ‘face’ toe en willen ‘gezichtsverlies’ vermijden – dit maakt sociale interacties soepeler. Omdat ik blijkbaar niet de sociale status van mijn collega kon vergroten door hem ook maar een beetje te bejubelen terwijl daar theoretisch een mogelijkheid toe was, concludeerde u terecht dat ik blijkbaar gezichtsverlies aan het vermijden was.

Het interessantste: wanneer niet-debaters ‘debatteren’ horen, dan denken ze naar mijn mening vooral aan toegepaste sociolinguïsitiek. Sociolinguïsitiek beschrijft immers óók hoe wij in het dagelijks leven via onze conversaties ons gelijk halen, doordat het beschrijft wie wanneer aan wie een bevel geeft en wie gehoorzaamt.

Wat is het praktisch nut hiervan?

Prachtige materie dus, die sociolinguïstiek. Maar wat hebbu eraan? Het volgende:

1. Tegenwoordig expliciteren debaters de assertieve illocutionaire kracht door te vlaggen: “Ik ga nu weerleggen”, “Dit is mijn nieuwe argument”. Opdracht: via welke andere taalhandelingen kunnen we, expliciet of impliciet, de assertieve illocutionaire kracht signaleren?

2. Grice’s samenwerkingsbeginsel is een handig kader voor strategie en jureren, zoals wanneer een spreker langer bij een argument stilstaat; Dit argument vindt hij blijkbaar een zodanig belangrijke bijdrage in het debat dat het de moeite waard is om er veel tijd in te steken. Opponenten misbruiken dit door strategische POIs. Juryleden gebruiken dit middels het ‘charitatieve beginsel’, wat wil zeggen dat u debaters niet puur moet beoordelen op de exacte zinnen van hun argument maar dat u uw best moet doen om de best mogelijke versie van het argument “erin” te lezen.

3. Gezichtsverlies is voor debaters vrijwel irrelevant: zo wuiven we POIs weg, zelfs zonder de aanbieder aan te kijken, wat buitenstaanders onbeleefd en hilarisch vinden. Tegelijkertijd worden sommige debaters (ikzelf vooral) buiten de debatsport als onhebbelijke betweters ervaren. Zou ons gebrek aan taalhandelingsvaardigheid op het gebied van ‘face-management’ hiermee te maken hebben?

Ik wil meer lezen…

Een goede introductie op sociolinguïstiek:
Language as Social Actions. Social psychology and Language Use van Thomas Holtgraves.

Natuurlijk:
How to do things with words van John L. Austin.

Sommige filosofen gebruiken sociolinguïsitische concepten als grondslag voor politieke filosofie. Zoals:

Facebook Twitter Linkedin Email

Over de auteur

Bionda Merckens contributor

4 reacties tot nu toe

Eric StamGeplaatst op6:21 pm - sep 22, 2011

Grappig is dat inderdaad; buitenstaanders die het wegwuiven van ingewijden onbeleefd en hilarisch vinden, terwijl ingewijden zich soms enorm kunnen storen aan de meest bescheiden vormen van verbale agressie zoals ”doe effe normaal man” waar de gewone man zich weer totaal niet druk om zou maken. Wat dat betreft verkies ik eigenlijk de positie van de buitenstaander.

DanielschutGeplaatst op9:49 am - sep 23, 2011

Voor de duidelijkheid: de uitspraak van de priester is een voorbeeld van een declaratieve uitspraak.

@eric: sja, volgens de buitenstaander win je een debat door iemands ‘face’ op indirecte wijze neer te halen. De vraag is of wij als debaters dat overtuigend mogen vinden, of dat het om de inhoud moet gaan.

Els KoppejanGeplaatst op1:39 pm - sep 25, 2011

Er staat: ‘Sommige filosofen gebruiken sociolinguïsitische concepten als grondslag voor politieke filosofie. Zoals:’, maar dan volgt er niets. Hoe komt dat?

Nog iets belangrijkers: Waar je het voornamelijk over hebt is eigenlijk pragmatiek en dat is niet helemaal hetzelfde als sociolinguïstiek. Kijk maar op Wikipedia. Pragmatiek gaat over waarom het antwoord ‘ja’ op de vraag ‘kan je mij de zout aangeven?’ geen adequate reactie is. Sociolinguïstiek gaat over het onderscheid tussen “I ain’t done nothing” en “I haven’t done anything”. Ook een prima onderwerp voor sociolinguïstiek is inderdaad de vraag of het gepast is om tegen de premier te zeggen “doe eens effe normaal”.

DanielschutGeplaatst op8:22 am - sep 26, 2011

@eric: ik denk dat we een blik richting de eigenaars van dit platform mogen werpen. In mijn oorspronkelijke tekst stond er nog:

The Social Construction of Reality van John Searle.

The Theory of Communicative Action, 1 & 2 van Jürgen Habermas.

En ik zie ook waarom de redactie is vergeten dit te copy-pasten: het stond op een volgende pagina (de politiek filosofisch onderlegde typograaf zou sarcastisch kunnen opmerken: als de hoerenjongen die Searle en Habermas blijkbaar zijn, zie: http://nl.wikipedia.org/wiki/Hoerenjong_(typografie) )

Reacties zijn gesloten.