De meeste debaters trainen verkeerd

doorBionda Merckens

De meeste debaters trainen verkeerd

Je herkent het wel: debaters die in elke finale staan maar nooit winnen. Of nog erger: die bovenaan de tab eindigen na de voorrondes maar dan in de finale grandioos ten onder gaan. Alles wat deze debaters tot een geduchte concurrent maakte voor de break lijken ze te zijn vergeten erna. Waarom gebeurt dit nou? Natuurlijk gaat de een beter dan de ander om met de druk die een finale op hem legt maar dat is niet het hele verhaal. Uiteindelijk komt het neer op effectief trainen. Te veel debaters pakken dat verkeerd aan. In hun training zijn ze er alleen op gericht om hun topniveau te verhogen, terwijl ze juist ook oog zouden moeten hebben voor het beperken van de onvermijdelijke terugval.

Veel debaters houden van de uitdaging om vernieuwende analyse te bedenken; hoe ze complexe wetenschappelijke theorieën in hun voordeel kunnen gebruiken in een toekomstig debat. Velen van ons zijn generalisten en we streven ernaar om de wereld beter te begrijpen door middel van het debat. We bestuderen liever Rawls en Kant dan dat we werken aan gestructureerder speechen. Dat is begrijpelijk, de intellectuele nieuwsgierigheid is zelfs prijzenswaardig en het is natuurlijk waardevolle training voor een wedstrijddebater. Maar het is slechts een deel van een goede training en het is niet genoeg om toernooien te winnen. Want hiermee verhoog je slechts je topniveau.

Finales zijn vaak geen topdebatten

Finales zijn echter vaak helemaal geen topdebatten. Ze zijn leuk om naar te kijken en het zijn natuurlijk geen slechte debatten. Maar zelden zijn finales het beste debat van het toernooi, terwijl er wel de beste debaters van het toernooi aan deelnemen. De meeste van hen vallen terug naar een lager niveau dan hun topniveau.

Hoewel je het misschien niet zou verwachten, is het gemakkelijk te verklaren. Finales brengen druk, spanning en stress met zich mee die gewone voorrondes onbekend zijn. Duizenden jaren evolutie heeft ons lichaam geprogrammeerd om tijdens stressvolle situaties te vervallen in vlucht- of vechtgedrag. De adrenaline giert door het lichaam om ons binnen luttele seconden in een staat van opperste fysieke paraatheid te brengen. Handig als je aangevallen wordt door een sabeltandtijger in de woestijn van Afrika maar als je goed en rationeel wil nadenken – zoals van je verwacht wordt in een debatfinale – dan is die adrenaline een belemmering. Helder nadenken is lastiger in stressvolle situaties.

Je hebt je terugval in de hand

Een debater in de finale vergeet natuurlijk niet alles wat hij weet en kent. Het is belangrijk om te beseffen dat het geen willekeur is wat je vergeet en wat je onthoudt in stressvolle situaties. Je hebt je terugval in zekere mate in de hand. Als dat zo is, kun je er rekening mee houden tijdens je training.

In een finale val je terug tot het niveau waarin je onbewust bekwaam bent. Dat zijn de vaardigheden die je zo goed beheerst dat je er niet meer over hoeft na te denken. Ze lijken vanzelf te gaan op basis van routine. De zaken waarin je slechts bewust bekwaam bent, pas je minder goed toe in stressvolle situaties. Ze kosten namelijk veel denkkracht. Omdat denkkracht schaars is in stressvolle situaties kun je ze minder goed toepassen dan in een niet stressvolle situatie.

Effectief trainen moet er dus niet alleen op gericht zijn om het topniveau te verhogen maar ook om je terugval in een stressvol debat te beperken. Het verschil tussen je topniveau en terugvalniveau mag nooit te groot zijn. Kortom: maak jezelf onbewust bekwaam in zoveel mogelijk zaken die cruciaal zijn voor het wedstrijddebat.

Maak jezelf onbewust bekwaam

Debaters die je na een finale hoort klagen over hun warrige en niet-gestructureerde speech, zijn waarschijnlijk niet onbewust bekwaam in structuur. Jij kan jouw terugval beperken door te werken aan wat jou opbreekt in belangrijke debatten maar niet in onbelangrijke debatten. In zijn algemeenheid kan gezegd worden dat debaters die goed willen presteren in (halve) finales onbewust bekwaam moeten zijn in het hanteren van een goede structuur en het hebben van een duidelijke (zo niet aantrekkelijke) presentatie. Daarnaast moeten zij enkele veelvoorkomende basisargumenten (de rol van de staat bijvoorbeeld) kunnen uitwerken op basis van routine.

Veel mensen pakken het wel degelijk zo aan maar doen het niet gestructureerd. Ze gaan jaar in, jaar uit naar toernooien zonder ooit een break te behalen. In die tijd worden zij onbewust bekwaam zonder dat ze het doorhebben. Mijn pleidooi is er op gericht om dit gestructureerder aan te pakken waardoor je sneller beter gaat presteren.

Minder leuk, wel nuttig

Sommige debaters doen dit niet omdat ze het leuker vinden om hun top te verhogen dan hun terugval te beperken. Vernieuwende analyse bedenken is leuker dan het eindeloos werken aan de structuur van je speeches. Het is ook leuker dan eindeloos schaven aan een al bestaande analyse om te zorgen dat je hem kent zonder er over na te hoeven denken. Deze stappen zijn saai. En erger nog: doordat progressie nauwelijks zichtbaar is, voelt het alsof je met iets kleins en onbelangrijks bezig bent.

Maar als je niet alleen werkt aan je topniveau maar ook weet je terugval te beperken, is je beloning betere prestaties na de break. En voor iedereen die van een beetje competitie houdt, is dat allerminst klein en onbelangrijk.

Facebook Twitter Linkedin Email

Over de auteur

Bionda Merckens contributor

9 reacties tot nu toe

Eric StamGeplaatst op11:16 pm - okt 25, 2011

Goed verhaal, maar ook een verhaal waardoor een buitenstaander een ontzettende hekel zou kunnen krijgen aan het wedstrijddebat.

Deze analyse benadrukt zó sterk de ware aard van het wedstrijddebat op topniveau – het opvoeren van routines – dat de ”sport” er voor een grote potentiele doelgroep niet interessanter op wordt. De opmerking dat finales meestal toch geen goede debatten zijn, maar gewoon rondes die gewonnen worden door teams die de minste fouten maken, tjonge jonge, fraai is het niet.

Het wedstrijddebat zou toch ook aantrekkelijk moeten zijn voor mensen die debatteren zien als een denkervaring, niet per se als een denksport. Ik ben er dan ook geen voorstander van om te stellen dat mensen ”goed” of ”verkeerd” trainen; mensen hebben nu eenmaal verschillende ambities en de vraag is of de gemeenschap als zodanig er aantrekkelijker op wordt als de (sub)top volledig wordt bevolkt door mensen die hun routines onder controle hebben, hun dossierkennis op peil hebben en die nooit iets gedurfts zullen doen.

Daarbij is de vraag hoe relevant het is om de specifieke set vaardigheden nodig voor wedstrijddebat 100% te willen beheersen. Zouden mensen later in hun professionele carriere een heel belangrijke presentatie ook voorbereiden in 15 minuten tijd? Men zou evengoed kunnen beargumenteren dat écht ambitieuze mensen nu alvast dagelijks een uurtje oefenen op een teleprompter voor het grote werk – maar dat doen we op debattoernooien dan weer niet.

    Victor VlamGeplaatst op10:52 am - okt 26, 2011

    Finales zouden juist aantrekkelijker worden als mensen op de goede manier trainen. Toppers – in welk veld dan ook – zullen veel zaken op routine kunnen doen die voor anderen nog veel inspanning vereisen. Daardoor kunnen zij zich toeleggen op het brengen van iets dat echt onderscheidend en zowaar briljant is. Maar een stevige basis is dus onontbeerlijk. Die moet je dus ontwikkelen tijdens je trainingsuren.

rogier baartGeplaatst op1:36 am - okt 26, 2011

ha haahahha …. rol van de staat

Eric StamGeplaatst op4:09 pm - okt 26, 2011

@ Victor:

Ah, maar hiermee lijk je – gelukkig – toch weer te zeggen dat werken aan je topniveau óók heel belangrijk is.

Van Malcolm Gladwell eens een idee ontleend over het verschil tussen conceptuele en experimentele kunstenaars. Daar is volgens Gladwell een belangrijk verschil tussen, namelijk dat experimentele kunstenaars veelal laatbloeiers zijn: hun allerbeste werk produceren ze pas op latere leeftijd, maar wordt dan door kunstliefhebbers ook hogelijk gewaardeerd. Conceptuele kunstenaars hebben vaak een ander carriereverloop: ze worden groot in hun beginjaren met één briljant, vernieuwend idee, maar weten zich gedurende hun latere carriere minder gemakkelijk te vernieuwen. Hun beste – als we de marktwaarde als indicator aanhouden – werk wordt vaak geproduceerd vroeg in hun carriere. Paar implicaties waren:

– Waarschijnlijk waren die laatbloeiers eerder in hun carriere gewoon écht niet goed. Het probleem was dus niet zozeer dat ze laat ontdekt zijn o.i.d., nee, ze hebben zich kwalitatief pas echt na ontzettend veel geexperimenteer ”opeens” ontwikkeld;
– Conceptuele kunstenaars hebben grotere kans van slagen. De meeste mensen zouden – als ze een kwast zouden oppakken – experimenteel kunstenaar zijn, maar helaas stopt het overgrote deel van hen alvorens ze hun doorbraak beleven.
– Je kunt experimentele kunstenaars niet dwingen om conceptueel te werken, en visa versa. Je persoonlijkheid bepaalt wat voor type je bent.

Ik denk dat een dergelijke analogie voor debatteren ook op gaat. Het ”drillen” als Superieure Trainingsmethode levert ongetwijeld snel resultaat – is vast ook heel geschikt voor WSDC-teams etc – maar tegelijkertijd wordt er ook wel eens geklaagd bij debaters die al vroeg heel goed zijn dankzij noeste trainingsarbeid en discipline over een gebrek aan creativiteit…

    Victor VlamGeplaatst op5:17 pm - okt 26, 2011

    Interessant, Eric. Of de vergelijking opgaat is deels afhankelijk van hoe je het wedstrijddebat ziet. Velen zien het als sport (die mensen hechten veel waarde aan gebalanceerde stellingen) in plaats van kunst (die mensen vinden dat een stelling vooral interessant moet zijn).

    Als je het ziet als sport, dan is er volgens mij helemaal geen ruimte voor “experimentele types”. Ze presteren aanvankelijk niks. Daardoor wordt er niet in hen geïnvesteerd. En daardoor presteren ze ook in de toekomst niks. “Experimentele types” verdwijnen voordat ze ooit tot bloei kunnen komen want in een sport gaat het om het thuis brengen van de beker en dat doen zij niet snel genoeg.

    Maar goed, dat is misschien erg zwart-wit en daar is het me niet per se om te doen. Ik denk dat het goed is dat we eens kijken hoe topdebaters opgeleid kunnen worden. Veel besturen van debatverenigingen zitten met die vraag want eigenlijk zijn er maar twee verenigingen in Nederland waar dat structureel goed gaat.

Eric StamGeplaatst op8:43 pm - okt 26, 2011

Nou, die ruimte voor ”experimentele types” zou er wel moeten zijn – en is er trouwens ook gewoon. Dat komt natuurlijk omdat je die ”experimentele types” niet kan uitsluiten van een toernooi; er staat niemand bij de poort om teams die niet serieus genoeg met de sport bezig zijn de deur te wijzen. (Nouja, de Masters misschien, of voor sommige internationale toernooien wil er nog wel eens een intern kwalificatietoernooi bij een vereniging nodig zijn.) Dus dat is in feite geen probleem, en dat is maar goed ook: die zogenaamde ”experimentele” types hebben namelijk volop potentie om een hoog niveau te halen, alleen ziet de ontwikkelingscurve er heel anders uit. Voorbeelden in overvloed van debaters die pas na een paar jaar heel goed en heel succesvol werden.

Ook het verband tussen succesvolle verenigingen en hun opleidingen is heel ambigu. Had de EDS in de gloriedagen van Marc Roels, Lars Duursma en Sharon Kroes nu echt zo’n fantatisch Training&Development programma? Soms moet je ook gewoon een goede lichting hebben, met goede sparringspartners, en dan komt een hoop talent vanzelf wat sneller bovendrijven. * maar dit moet je natuurlijk nooit hardop zeggen als je trainen en opleiden als vak serieus neemt *

    Victor VlamGeplaatst op10:49 pm - okt 26, 2011

    Als je dit vindt, moet je er vooral naar handelen. Mijn artikel was bedoeld om sommige mensen die sneller progressie willen maken vooruit te helpen, niet om Eric C. Stam te dwingen zijn levensvisie te herzien. Echt niet 😉

LarsGeplaatst op12:28 pm - okt 28, 2011

Interessant stuk, grotendeels mee eens!

Sluit mooi aan bij een discussie over penalty’s in het voetbal. Elke profvoetballer zou de basistechniek moeten hebben om een bal vanaf elf meter te schieten ergens tussen twee palen die op 7,32 meter van elkaar staan. En toch krijgen veel goede voetballers het voor elkaar om de bal naast of over te mikken wanneer het écht telt. Dat heeft met spanning te maken. Sommige mensen stellen dat je daar niet op kunt trainen. Aannemelijker vind ik een andere stroming, die stelt dat je routine in het penaltyschieten wel degelijk kunt trainen — zodat je feitelijk niet meer hoeft na te denken wanneer je die bal tijdens de WK-finale tegen de touwen rost.

Reacties zijn gesloten.