Father knows best: debatteren vanuit de paternalistische staat

doorBionda Merckens

Father knows best: debatteren vanuit de paternalistische staat

Nederlands Kampioen Daniël Springer legt uit hoe je het beste om kan gaan met (ir)rationaliteit en de daaruitvolgende rol van de Staat in een debat.

Jaren geleden, toen ik net begon met debatteren, zei een bekende Amsterdamse debater tegen mij: “het probleem met economen in een debat is dat ze, afhankelijk van hoe het uitkomt, met een stalen gezicht beweren dat mensen rationeel zijn, of juist pertinent niet rationeel zijn. Welke kant jullie ook kiezen, je komt er mee weg”. Ik heb door de jaren heen gemerkt dat inderdaad veel mensen worstelen met stellingen die ruwweg met de paternalistische staat te maken hebben. Ik wil in dit stuk proberen een vrij simpele visie op dit soort debatten te geven.

Spock is een typisch voorbeeld van een rationele actor.

Ten eerste moet ik natuurlijk definiëren over wat voor soort stellingen ik het precies heb. Ik vermoed dat wat ik hier bespreek voor veel meer debatten relevant is, maar concreet heb ik het over stellingen waarbij de staat het consumeren van product x c.q. het ondernemen van activiteit y reguleert of verbiedt. Voorbeelden zijn: het verbieden van alcohol of gokken, het verbieden van duelleren of zelfmoord, enzovoort.

Ten tweede is het handig om te kijken naar wat de waarschijnlijke wederzijds geaccepteerde grondslag voor de beoordeling van het debat is. Uit ervaring kan ik zeggen dat in 90% van de gevallen het uiteindelijke debat neerkomt op een vergelijking in termen van welzijn, op individueel of collectief niveau. Concreet wint dus de kant die aantoont dat het wel of niet aannemen van het plan voor de beste resultaten zorgt, ofwel voor het individu wiens vrijheid (niet) wordt beperkt, ofwel voor de samenleving als geheel. Ik zal aan het eind van dit stukje nog even kort bespreken wat er in de andere 10% van de gevallen waarschijnlijk gebeurt.

Nu we weten in wat voor soort debat we zitten en wat we moeten bewijzen kunnen we de argumenten van de voor en de tegenstanders erbij gaan pakken. Ik definieer hier de voorstanders als diegene die voor het “vaderlijk” ingrijpen van de staat zijn en dus de individuele vrijheid willen beperken. Met het winstcriterium in ons achterhoofd is het eenvoudig te zien dat er twee mogelijke winnende strategieën voor de voorstanders zijn:

  1. aantonen dat de staat deze afweging beter kan maken dan het individu
  2. aantonen dat het individu een collectief suboptimale afweging maakt

Om te beginnen met het eerste argument: er zijn vele manieren om aan te tonen dat mensen zelf niet altijd de beste keuze maken. Wees hierbij voorzichtig dat je niet te hard bent in definiëren wat “de beste” keuze is. Preferenties zijn inherent subjectief: als jij bijvoorbeeld walgt van incest is dat opzich geen reden om te zeggen dat iemand die zich daaraan “schuldig” maakt de verkeerde keuze maakt. We spreken over het algemeen pas van een objectief slechte keuze als die keuze irrationeel is, dat wil zeggen: gegeven de beschikbare informatie en de preferenties van het individu is het een suboptimale keuze. Bijvoorbeeld: ik wil na mijn 65e niet verrekken van de honger, maar toch spaar ik niet uit mijzelf voor mijn pensioen. Bij deze argumentatielijn maak je vaak gebruik van “cognitive biases”, veelal evolutionair ingeslepen patronen in onze hersenen die er voor zorgen dat we “vreemde” beslissingen nemen. Voor een introductie kun je hier een lijst van deze biases vinden.

Een tweede manier om deze argumentatie uit te werken is door juist niet te zeggen dat keuze irrationeel is, maar dat die per definitie op onvolledige informatie is gebaseerd. Immers: dat de keuze gegeven de beschikbare informatie en gegeven de preferenties van het individu optimaal is, will niet zeggen dat het goed is dat er weinig informatie beschikbaar is. Je moet er hierbij wel op letten dat je voorbeelden kiest die de tegenwerping “maar dan informeren we mensen toch gewoon beter” uitsluiten. Je kunt mensen bijvoorbeeld wel proberen te informeren over de exacte werking van de hypotheekmarkt, maar die informatie betekent voor de meeste mensen simpelweg niks en dus blijven ze de facto ongeïnformeerd. Dat kan een reden voor de overheid zijn om bijvoorbeeld overmatig lenen te verbieden.

De tweede lijn die je als voorstanders kunt voeren is die waarbij je het collectief als relevante eenheidsmaat neemt. De argumentatie is dan: misschien dat het individu wel een optimale beslissing kan nemen voor hemzelf, maar er zijn negatieve externaliteiten die er voor zorgen dat het vanuit de maatschappij gezien niet optimaal is. Een voorbeeld is overmatig alcoholgebruik, dat wellicht voor het individu prettig kan zijn, maar vaak gezinnen ontwricht of tot geweld en ongelukken leidt. Vaak is het een goed idee om deze lijn bovenop de eerste lijn te voeren.

Dan de tegenstanders. Als voorvechters van individuele vrijheid kunnen zij simpelweg aangeven dat over het algemeen het individu het beste zelf kan bepalen wat voor hem het beste is. Aangezien “geluk” subjectief is kan het individu dat dat geluk ervaart zelf het beste inschatten wat hem gelukkig gaat maken. Daarom is elke interventie van de overheid in principe welzijnsverlagend. Dat de overheid mijn beweegredenen om bijvoorbeeld mijn arm te willen laten amputeren niet begrijpt, wil niet zeggen dat ik niet beter af ben door het te doen.

Een gerelateerd punt is dat er een marktverstoring plaatsvindt op het moment dat de overheid bepaalde transacties gaat verbieden. Normaliter zullen vraag en aanbod er voor zorgen dat het maximaal mogelijke aantal transacties dat welzijnssverhogend werkt plaatsvindt. Door de actieradius van individuen te beperken zijn er transacties die welzijnsverhogend zouden werken die niet kunnen worden uitgevoerd. Stel dat een prostituee bijvoorbeeld liever 100 euro dan haar lichamelijke integriteit heeft, en ik heb liever seksueel genot dan 100 euro, dan zijn wij beiden beter af als de transactie plaats mag vinden. Een mooi voorbeeld is dat in één van de weinige landen waar orgaanhandel (nier verkopen) legaal is (Iran), er nauwelijks een tekort aan nieren is.

Tot slot kun je als tegenstander toegeven dat niet ingrijpen onwenselijk is, maar dat wel ingrijpen nog onwenselijker is. Een voorbeeld hiervan is bijvoorbeeld de “war on drugs”. Zelfs als je accepteert dat mensen dat soort keuzes vaak niet rationeel maken, kun je betwijfelen of het criminaliseren ervan helpt. Ik heb zelf de case wel eens gemaakt dat Westerse landen moord en doodslag exporteren door drugs te criminaliseren, omdat het gebrek aan legale binnenlandse productie zorgt voor de enorme drugsproblematiek in bijvoorbeeld Zuid-Amerika. Ook prostitutie, abortus en alcohol zijn nooit weggegaan door ze te verbieden.

Ik heb binnen de aannames die ik aan het begin van dit stuk maakte uitgewerkt wat de meest basale argumentatielijnen zijn. Tot slot zal ik kort kijken naar mogelijkheden die buiten dit relatief strikt consequentialistische framework vallen. Dit vergroot vooral de opties voor de tegenstanders. Zij kunnen bijvoorbeeld zeggen dat zelfs als de keuze irrationeel is, het getuigt van respect voor de autonomie van het individu om hem die fout te laten maken. De autonome wil van het individu is zodanig verbonden met zijn autonomie als mens, dat de staat niet het recht heeft om iemand voor fouten te behoeden. Dit punt moet goed gescheiden worden van het punt dat ik ook wel eens hoor, dat mensen “moeten kunnen leren van hun fouten”. Alhoewel dat ook een interessant punt is, verwijst het wederom direct naar de gevolgen, terwijl de door mij bedoelde lijn van argumentatie puur vanuit menselijke autonomie redeneert.

Een andere mogelijkheid is in twijfel trekken dat de staat dit recht heeft. In onze normale perceptie van hoe het sociaal contract er uit zou zien is het vrij oncontroversieel om schade aan anderen als breuk van het contract te zien. De vraag is echter welke legitimiteit de staat heeft in het van mij eisen dat ik mezelf geen schade doe. Het is het klassieke “harm principle“ van Mill: “the only purpose for which power can be rightfully exercised over any member of a civilized community, against his will, is to prevent harm to others.“

Het antwoord voor de Amsterdamse debater was simpel: soms zijn mensen rationeel, soms zijn ze het niet, soms maakt het niet uit. Ik hoop dat dit stukje een laagdrempelige inleiding in de complexiteit van dit soort stellingen is geweest. Ook als je niet van plan bent het binnenkort tegen een econoom op te nemen is het ontzettend interessante materie.

Facebook Twitter Linkedin Email

Over de auteur

Bionda Merckens contributor