De keuzes van CA-teams

Er verschijnen vele juryrichtlijnen, er zijn talloze juryavonden en er is ieder toernooi wel een officiële jurybriefing. Toch wordt er weinig aandacht besteed aan de rol van het team dat hen aanstuurt: het Chief Adjudication-team. Mijn hypothese is dat er door die teams  vooral op twee vlakken veel fouten worden gemaakt: de toewijzing van de juryleden en de keuze van de stellingen.

Are you on the list?

"Zwarte lijst"

Sinds de invoering van de “zwarte lijst” is de spoeling van goede juryleden drastisch verminderd. Niet langer is het hebben van een liefdes-  of werkrelatie noodzakelijk om uit een jurypanel gezet te worden. Tegenwoordig is ook de verhouding tussen twee debaters van dezelfde vereniging te heilig om elkaar te mogen beoordelen. Zo mochten juryleden uit Rotterdam, Amsterdam en Utrecht, alsmede juryleden met enige relatie tot de Debatbond geen zitting nemen in de finalejury van het afgelopen Nederlands Kampioenschap Debatteren. Met een magere delegatie uit Leiden vraag je je af:  wie blijft er over?

Zwakkere juryleden

Het eerste probleem dat optreedt bij het a priori afschrijven van een groot aantal kwaliteitsjuryleden is dat de overblijvers vaak relatief onervaren zijn en niet in staat om het debat goed te begrijpen. De juryleden die in (halve-)finalepanels terecht komen zijn vaak zelf niet goed genoeg als debater om de finale te halen. Minder goede juryleden begrijpen de essentie van een debat slechter, wat betekent dat verkeerde factoren eerder in hun beslissing meegewogen worden en dat de kans op een onjuiste call groter is. Bovendien trappen zwakkere juryleden vaker in retorische trucs en stemmen ze eerder op reputatie – of juist niet. Vooral finales bestaan uit teams die op hoog niveau met elkaar redetwisten. Goed begrip van wat argumenten sterk en zwak maakt is zeker daar een belangrijke voorwaarde voor het bepalen van de juiste uitslag.

Alle Nasen in dieselbe Richtung

Onjuiste calls

Sommige verenigingen hebben genoeg jurykracht om een finalepanel te vullen, maar ook dat is onwenselijk. Debatteren is namelijk een subjectief spelletje, waarin vage begrippen zoals ‘relevantie’ en ‘uitwerking’ getoetst moeten worden. In het Brits-Parlementaire format is dat een flinke uitdaging omdat de beste teams niet altijd met elkaar clashen. Zodoende maken juryleden afwegingen, die grotendeels door hun eigen debatperspectief ingegeven zijn. Debaters houden er vaak verenigingspecifieke perspectieven op na. Zo is het bekend dat Rotterdammers economische argumentatie vaak meer waarderen dan Leidenaren en Leidenaren meer waarde hechten aan filosofie. Wanneer een jurypanel uit veel juryleden uit dezelfde stad bestaat, treedt er dus een bias op, waardoor argumenten niet altijd de waardering krijgen die ze verdienen. Ook dit beïnvloedt de uitslag.

Monotone stellingen

Naast de selectie van juryleden zijn ook de stellingen herhaaldelijk een probleem. In plaats van de stellingen te kiezen die het beste toernooi opleveren, kiezen sommige CA-teams voor de onderwerpen die ze zelf het leukst vinden. Op het afgelopen Nederlands Kampioenschap bijvoorbeeld. Zo hadden veel stellingen hetzelfde thema. Rolpatroonbevestigende reclames, positieve discriminatie en pornografie behandelen elk op een andere manier hetzelfde vraagstuk: de positie van de vrouw binnen de maatschappij. Op die manier zijn er weinig uiteenlopende debatten en hebben teams met een voorkeur voor een bepaald thema een onevenredig groot voordeel.

Stel je bent CA….

Ruzie over feiten

Naast de obsessie voor favoriete onderwerpen is er nog de nieuwste fetisj van debatterend Nederland: “situationals”, een type stelling waarbij de debaters niet vanuit het perspectief van de gebruikelijke “Kamer” argumenteren, maar vanuit een bepaald individu. Dit soort stellingen verrijkt het debatspel omdat het veel standaardargumenten die in teveel debatten terugkomen irrelevant maakt en debaters creatiever leert nadenken. Helaas zorgt dit soort stellingen dikwijls voor rare debatten. Zo ontstond in een debat over de Duitse onderzoeker die moest kiezen of hij door zou gaan met een nucleair programma een debat binnen een debat over de feiten van 1942. Centrale issues waren of de VS al aan de oorlog meedeed en welke informatie de Duitsers over hun bewind hadden. Kennisintensieve debatten lopen al vaak genoeg op teleurstellingen uit. Dit probleem wordt nog eens vele malen erger wanneer een debat vanuit het perspectief van een vreemde in een andere tijd gevoerd wordt.

Het debat vóór het debat

Als hoofdjuryleden hun huidige koers doorzetten verwordt debatteren tot een kansspel. Hoofdjuryleden houden de debatstandaarden, die zij als deelnemers wel rigoureus toepassen, te vaak niet aan wanneer ze aan de andere kant van het sprekersgestalte zitten. Er moet meer ruimte komen voor het debat vóór het debat , in plaats van elk “cool” idee toe te juichen en de meest modieuze policies in te voeren.   CA-teams moeten kritische klankbordgroepen worden waarin reality checks centraal staan en het belang van de debaters voorop wordt gesteld.  Ze dienen hun keuzes minder te baseren op wat zij zelf interessant vinden en meer op wat de beste randvoorwaarden creëert voor een debattoernooi van hoog niveau. Dat is de enige manier waarop debatkwaliteiten tot hun recht kunnen komen. Het toernooi draait immers om de deelnemers, niet om de juryleden.

Facebook Twitter Linkedin Email
No TweetBacks yet. (Be the first to Tweet this post)