Een interview met Julien Spliet, CA van het NK Debatteren 2013

doorBionda Merckens

Een interview met Julien Spliet, CA van het NK Debatteren 2013

DISCLAIMER: Julien sprak niet namens het CA-team van het NK, maar op persoonlijke titel. De inhoud van dit interview staat dan ook los van de exacte jurering en stellingen van het aankomende NK.

Julien, voor diegenen die je niet kennen: wie ben je en wat doe je?

Ik werk als consultant bij McKinsey & Company. Tijdens mijn studie politicologie aan de Universiteit van Amsterdam ben ik voor Bonaparte uitgekomen – zo was ik onder andere finalist op het WK Debatteren in 2006 en won ik samen met Ali al-Jaberi het NK in 2008.

Je neemt nu een belangrijke rol op je als hoofdjury van het Nederlands Kampioenschap. Wat is je inhoudelijke koers – aan wat voor soort stellingen moeten we bijvoorbeeld denken?

Een stelling moet wat mij betreft eerlijk, interessant, maatschappelijk relevant, realistisch en bij voorkeur actueel zijn. Omdat laatste toe te lichten: ik begrijp dat stellingen tegenwoordig soms ver van de dagelijkse realiteit zijn, bijvoorbeeld door in het verleden of de toekomst geplaatst te worden. Voor mij kan dat best interessant zijn als intellectuele gedachtenoefening, maar niet als stelling op een parlementair debattoernooi. Ook niet onbelangrijk: volgens mij levert het meestal slechte debatten op.

Maar als we die ‘intellectuele gedachtenoefeningen’ nou leuk vinden?

Dat mag. Voor mij gaat debatteren uiteindelijk niet over wie ‘het slimst’ is, maar om het oefenen van effectief overtuigen in een democratische samenleving.  Door ons steeds meer te richten op de belevingswereld van een masterstudent politieke filosofie in plaats van een betrokken burger verliezen we de relatie met deze samenleving.

OK – welke soort stellingen kunnen we dan wel en niet verwachten?

Qua onderwerpen: als het in The Economist of een hypothetische Nederlandstalige variant daarvan staat, dan zou het een geschikte stelling kunnen zijn. Actormoties en tijd- en plaatsgebondenmoties zijn wat mij betreft minder op hun plaats op een parlementair debattoernooi.

En krijgen we dan allemaal beleidsstellingen in plaats van ‘analytische stellingen’?

De vraag is wat een ‘analytische stelling’ betekent. Volgens mij doelt het meestal op stellingen waarbij bijvoorbeeld alleen over een principe wordt gedebatteerd. Ik vind dat zonde, want het leidt tot verwarring en beperking van de argumentatieve speelruimte. Bijvoorbeeld: we kunnen prima een abstract debat voeren over het principe of het verspreiden van democratie door interventies principieel gerechtvaardigd is, maar elke keer als de oppositie met voorbeelden komt waarom het niet werkt, kan de propositie zeggen dat ze deze manier van interveniëren niet bedoelden, zonder ooit te hoeven uit te leggen welke vorm van interventie ze dan bedoelen.

Juist door een stelling te fraseren als een beleidsstelling, vergroot je de argumentatieve speelruimte: een stelling als ‘De VN moet democratie brengen in Syrië’ geeft je de mogelijkheid om zowel de principiële argumentatielijn te brengen, als de praktische lijn – en welk van de twee dan meer gewicht heeft, hangt af van de strategie van de debaters zelf.

Aha! Laten we het eens over dat woord ‘strategie’ hebben – tegenwoordig is de heersende mening dat BP als debatvorm meer ruimte biedt voor strategie dan AP. Waarom kiest Bonaparte er dan toch voor een AP NK te houden?

Vooropgesteld: ik vind BP geen slechte debatvorm. Ik denk dat je met BP vaardigheden traint die in AP minder aan bod komen. Maar omgekeerd geldt dit net zozeer: persoonlijk vind ik AP vooral tactisch stukken interessanter.

BP leent zich toch uitstekend voor ‘deeper analysis’ en is dan toch per definitie interessanter?

Nee – die zogenoemde ‘deeper analysis’ is precies wat BP voor mij minder interessant maakt. Omdat er nog twee teams achter de eerste helft komen, heeft de eerste helft een prikkel om zoveel mogelijk materiaal te brengen – oftewel, in plaats van de meest vruchtbare argumentatielijn te kiezen, brengen de debaters vaak álle mogelijke argumentatielijnen.

In AP móeten zowel voor- als tegenstander in de eerste beurten – juist door de beperkte tijdsduur van het debat – direct al de meest vruchtbare argumentatielijn kiezen en die goed uitwerken. En vruchtbaar betekent hierbij niet ‘meest interessant’ of ‘meest diepgravend’, maar ‘meest waarschijnlijk om aan het eind van het debat een sterkere case te hebben dan de andere partij’. Toegegeven, daar kúnnen ze ook de verkeerde keuze in maken, maar dat is precies waarom AP beter de overtuigvaardigheid van timing en het goed positie kiezen traint – een vaardigheid die in het leven buiten de debatwereld veel belangrijker is dan je filosofische kennis goed en precies uitgewerkt kunnen toepassen. Framing, positionering, timing, dát is waar politici en persvoorlichters zich op trainen om een debat te kunnen winnen, niet op of ze het juiste hoofdstuk uit een handboek politieke filosofie kunnen toepassen op het onderhavige debat.

Maar hoe je het ook wendt of keert, AP blijft schuren vanwege die tweede oppositiebeurt en de omdraaiing van voor en tegen in de conclusiebeurten. Hoe moeten we daar mee omgaan?

Ik zie dit probleem niet helemaal – en volgens mij is het ook al jaren geleden ‘opgelost’. Je mag prima een nieuw punt brengen in de tweede oppositiebeurt, maar als je wil dat het relevant wordt in het debat moet je het aan het begin van je beurt brengen. Een nieuw argument uit de laatste minuut van een oppositie-extensiespreker telt bij BP ook minder zwaar mee. Maar dat je beperkt bent in hoeveel nieuwe argumenten je zou kunnen brengen, betekent niet dat je beperkt bent in je argumentatieve speelruimte. Je kunt juist in die tweede beurt je richten op het ‘redden’ van een argument van je medestander, of het aanscherpen van de aanval van je medestander op je tegenstander. Juist de argumentatiezetten van het weerleggen en verdedigen krijgen hierdoor meer ruimte in zo’n tweede beurt, ook bij de voorstander.

Die strategische zetten zijn ook van belang voor de conclusiebeurt: je kunt in je conclusie bijvoorbeeld prima benoemen dat het beste argument van de tegenstanders in de laatste 30 seconden van hun tweede beurt kwam. Dit luisteren naar en framen van het spel is ook weer zo’n buiten de debatwereld essentiële vaardigheid die AP beter traint dan BP.

Ik merk dat die lens, ‘van buiten af naar de debatwereld kijken’, voor jou erg belangrijk is. Waarom?

Simpel: we claimen dat wij ons bezig houden met het specialisme ‘overtuigingskracht’. Maar overtuigingskracht is altijd overtuigingskracht voor een publiek. Als wij er niet in slagen om wat wij doen relevant en interessant te maken voor de gemiddelde krantenlezer, dan overtuigen we alleen onszelf, niet de rest van de wereld.

Hmmm – wat valt je nog meer op als je door die lens naar de debatwereld kijkt?

Twee dingen: ten eerste, dat hoofdjury’s zoals ikzelf overgewaardeerd zijn. Bij elk toernooi wordt de hoofdjury altijd uitgebreid bedankt, terwijl in alle eerlijkheid de hoofdjury niet veel werk verricht. De stellingen verzinnen tijdens het voortraject is, als je het tijdig en met een team aanpakt, echt weinig werk. Tijdens het toernooi moet je de tab controleren en kamers rechtvaardig indelen, maar dat is ook geen werk van Herculeaanse proporties.

Het échte werk voor een toernooi wordt gedaan door OrgComm: zij moeten zich in de maanden en weken voor een toernooi uit de naad werken om de registratie goed te laten verlopen, de locatie te regelen, de catering te regelen en nog veel meer. Ook tijdens het toernooi rennen zij van deadline naar deadline in een complex logistiek project. Wat mij betreft verdient de OrgComm van een toernooi veel meer waardering en een CA-team wat minder.

Ten tweede: de laatste keren dat ik op een debattoernooi was viel me op dat het steeds normaler is geworden om in debatten bot en denigrerend te zijn.

Dit is om drie redenen slecht: ten eerste wordt je door bot en onaardig te doen geen betere debater. Een jury luistert niet graag naar je als ze denken dat je een eikel bent. Ten tweede: het schrikt beginnende debaters net zo af als je tegenstanders. En door het veld van debaters te verkleinen, verminder je de kwaliteit van de competitie: misschien was er juist onder de aardige, vriendelijke debaters wel net een nieuwe Nederlands Kampioen. En ten derde is het ook nog eens slechte debatstrategie: de meeste sprekers vertellen echt geen complete onzin, ook al zijn ze van de tegenpartij. Door wel te doen alsof laat je een kans liggen om echt tot de kern van het debat te komen.

Kortom: jij wilt van het komend NK vooral een relevant, interessant en vriendelijk NK maken?

Precies!

Bedankt!

Facebook Twitter Linkedin Email
No TweetBacks yet. (Be the first to Tweet this post)

Over de auteur

Bionda Merckens subscriber