Een interview met Julien Spliet, CA van het NK Debatteren 2013

doorBionda Merckens

Een interview met Julien Spliet, CA van het NK Debatteren 2013

DISCLAIMER: Julien sprak niet namens het CA-team van het NK, maar op persoonlijke titel. De inhoud van dit interview staat dan ook los van de exacte jurering en stellingen van het aankomende NK.

Julien, voor diegenen die je niet kennen: wie ben je en wat doe je?

Ik werk als consultant bij McKinsey & Company. Tijdens mijn studie politicologie aan de Universiteit van Amsterdam ben ik voor Bonaparte uitgekomen – zo was ik onder andere finalist op het WK Debatteren in 2006 en won ik samen met Ali al-Jaberi het NK in 2008.

Je neemt nu een belangrijke rol op je als hoofdjury van het Nederlands Kampioenschap. Wat is je inhoudelijke koers – aan wat voor soort stellingen moeten we bijvoorbeeld denken?

Een stelling moet wat mij betreft eerlijk, interessant, maatschappelijk relevant, realistisch en bij voorkeur actueel zijn. Omdat laatste toe te lichten: ik begrijp dat stellingen tegenwoordig soms ver van de dagelijkse realiteit zijn, bijvoorbeeld door in het verleden of de toekomst geplaatst te worden. Voor mij kan dat best interessant zijn als intellectuele gedachtenoefening, maar niet als stelling op een parlementair debattoernooi. Ook niet onbelangrijk: volgens mij levert het meestal slechte debatten op.

Maar als we die ‘intellectuele gedachtenoefeningen’ nou leuk vinden?

Dat mag. Voor mij gaat debatteren uiteindelijk niet over wie ‘het slimst’ is, maar om het oefenen van effectief overtuigen in een democratische samenleving.  Door ons steeds meer te richten op de belevingswereld van een masterstudent politieke filosofie in plaats van een betrokken burger verliezen we de relatie met deze samenleving.

OK – welke soort stellingen kunnen we dan wel en niet verwachten?

Qua onderwerpen: als het in The Economist of een hypothetische Nederlandstalige variant daarvan staat, dan zou het een geschikte stelling kunnen zijn. Actormoties en tijd- en plaatsgebondenmoties zijn wat mij betreft minder op hun plaats op een parlementair debattoernooi.

En krijgen we dan allemaal beleidsstellingen in plaats van ‘analytische stellingen’?

De vraag is wat een ‘analytische stelling’ betekent. Volgens mij doelt het meestal op stellingen waarbij bijvoorbeeld alleen over een principe wordt gedebatteerd. Ik vind dat zonde, want het leidt tot verwarring en beperking van de argumentatieve speelruimte. Bijvoorbeeld: we kunnen prima een abstract debat voeren over het principe of het verspreiden van democratie door interventies principieel gerechtvaardigd is, maar elke keer als de oppositie met voorbeelden komt waarom het niet werkt, kan de propositie zeggen dat ze deze manier van interveniëren niet bedoelden, zonder ooit te hoeven uit te leggen welke vorm van interventie ze dan bedoelen.

Juist door een stelling te fraseren als een beleidsstelling, vergroot je de argumentatieve speelruimte: een stelling als ‘De VN moet democratie brengen in Syrië’ geeft je de mogelijkheid om zowel de principiële argumentatielijn te brengen, als de praktische lijn – en welk van de twee dan meer gewicht heeft, hangt af van de strategie van de debaters zelf.

Aha! Laten we het eens over dat woord ‘strategie’ hebben – tegenwoordig is de heersende mening dat BP als debatvorm meer ruimte biedt voor strategie dan AP. Waarom kiest Bonaparte er dan toch voor een AP NK te houden?

Vooropgesteld: ik vind BP geen slechte debatvorm. Ik denk dat je met BP vaardigheden traint die in AP minder aan bod komen. Maar omgekeerd geldt dit net zozeer: persoonlijk vind ik AP vooral tactisch stukken interessanter.

BP leent zich toch uitstekend voor ‘deeper analysis’ en is dan toch per definitie interessanter?

Nee – die zogenoemde ‘deeper analysis’ is precies wat BP voor mij minder interessant maakt. Omdat er nog twee teams achter de eerste helft komen, heeft de eerste helft een prikkel om zoveel mogelijk materiaal te brengen – oftewel, in plaats van de meest vruchtbare argumentatielijn te kiezen, brengen de debaters vaak álle mogelijke argumentatielijnen.

In AP móeten zowel voor- als tegenstander in de eerste beurten – juist door de beperkte tijdsduur van het debat – direct al de meest vruchtbare argumentatielijn kiezen en die goed uitwerken. En vruchtbaar betekent hierbij niet ‘meest interessant’ of ‘meest diepgravend’, maar ‘meest waarschijnlijk om aan het eind van het debat een sterkere case te hebben dan de andere partij’. Toegegeven, daar kúnnen ze ook de verkeerde keuze in maken, maar dat is precies waarom AP beter de overtuigvaardigheid van timing en het goed positie kiezen traint – een vaardigheid die in het leven buiten de debatwereld veel belangrijker is dan je filosofische kennis goed en precies uitgewerkt kunnen toepassen. Framing, positionering, timing, dát is waar politici en persvoorlichters zich op trainen om een debat te kunnen winnen, niet op of ze het juiste hoofdstuk uit een handboek politieke filosofie kunnen toepassen op het onderhavige debat.

Maar hoe je het ook wendt of keert, AP blijft schuren vanwege die tweede oppositiebeurt en de omdraaiing van voor en tegen in de conclusiebeurten. Hoe moeten we daar mee omgaan?

Ik zie dit probleem niet helemaal – en volgens mij is het ook al jaren geleden ‘opgelost’. Je mag prima een nieuw punt brengen in de tweede oppositiebeurt, maar als je wil dat het relevant wordt in het debat moet je het aan het begin van je beurt brengen. Een nieuw argument uit de laatste minuut van een oppositie-extensiespreker telt bij BP ook minder zwaar mee. Maar dat je beperkt bent in hoeveel nieuwe argumenten je zou kunnen brengen, betekent niet dat je beperkt bent in je argumentatieve speelruimte. Je kunt juist in die tweede beurt je richten op het ‘redden’ van een argument van je medestander, of het aanscherpen van de aanval van je medestander op je tegenstander. Juist de argumentatiezetten van het weerleggen en verdedigen krijgen hierdoor meer ruimte in zo’n tweede beurt, ook bij de voorstander.

Die strategische zetten zijn ook van belang voor de conclusiebeurt: je kunt in je conclusie bijvoorbeeld prima benoemen dat het beste argument van de tegenstanders in de laatste 30 seconden van hun tweede beurt kwam. Dit luisteren naar en framen van het spel is ook weer zo’n buiten de debatwereld essentiële vaardigheid die AP beter traint dan BP.

Ik merk dat die lens, ‘van buiten af naar de debatwereld kijken’, voor jou erg belangrijk is. Waarom?

Simpel: we claimen dat wij ons bezig houden met het specialisme ‘overtuigingskracht’. Maar overtuigingskracht is altijd overtuigingskracht voor een publiek. Als wij er niet in slagen om wat wij doen relevant en interessant te maken voor de gemiddelde krantenlezer, dan overtuigen we alleen onszelf, niet de rest van de wereld.

Hmmm – wat valt je nog meer op als je door die lens naar de debatwereld kijkt?

Twee dingen: ten eerste, dat hoofdjury’s zoals ikzelf overgewaardeerd zijn. Bij elk toernooi wordt de hoofdjury altijd uitgebreid bedankt, terwijl in alle eerlijkheid de hoofdjury niet veel werk verricht. De stellingen verzinnen tijdens het voortraject is, als je het tijdig en met een team aanpakt, echt weinig werk. Tijdens het toernooi moet je de tab controleren en kamers rechtvaardig indelen, maar dat is ook geen werk van Herculeaanse proporties.

Het échte werk voor een toernooi wordt gedaan door OrgComm: zij moeten zich in de maanden en weken voor een toernooi uit de naad werken om de registratie goed te laten verlopen, de locatie te regelen, de catering te regelen en nog veel meer. Ook tijdens het toernooi rennen zij van deadline naar deadline in een complex logistiek project. Wat mij betreft verdient de OrgComm van een toernooi veel meer waardering en een CA-team wat minder.

Ten tweede: de laatste keren dat ik op een debattoernooi was viel me op dat het steeds normaler is geworden om in debatten bot en denigrerend te zijn.

Dit is om drie redenen slecht: ten eerste wordt je door bot en onaardig te doen geen betere debater. Een jury luistert niet graag naar je als ze denken dat je een eikel bent. Ten tweede: het schrikt beginnende debaters net zo af als je tegenstanders. En door het veld van debaters te verkleinen, verminder je de kwaliteit van de competitie: misschien was er juist onder de aardige, vriendelijke debaters wel net een nieuwe Nederlands Kampioen. En ten derde is het ook nog eens slechte debatstrategie: de meeste sprekers vertellen echt geen complete onzin, ook al zijn ze van de tegenpartij. Door wel te doen alsof laat je een kans liggen om echt tot de kern van het debat te komen.

Kortom: jij wilt van het komend NK vooral een relevant, interessant en vriendelijk NK maken?

Precies!

Bedankt!

Facebook Twitter Linkedin Email

Over de auteur

Bionda Merckens contributor

13 reacties tot nu toe

Daniël SpringerGeplaatst op4:49 pm - feb 6, 2013

Leuk interview! Een paar opmerkingen

– Ik denk zelf dat niet-beleidsstellingen vaak bedoeld zijn om

a) over de merites van een in de praktijk lastig uitvoerbaar plan te kunnen praten
b) te voorkomen dat stellingen consistent een dubbele bewijslast neerleggen bij prop (immers: het is een goed idee én het werkt, de argumentatie werkt alleen als je beide bewijst)

– Alhoewel ik het willkeurig strooien met filosofen ook regelmatig irritant vind denk ik wel dat het echt beantwoorden van de “waarom” vraag achter de stelling een belangrijke vaardigheid is. Je kunt filosofische argumentatie als luchtfietserij wegzetten, maar juist om relevant te zijn in de samenleving moet je als debaters denk ik uitstijgen boven 4 keer 5 (en 2x 3) minuten “we accepteren allemaal elkaars neo-liberale premisses en gaan nu bepalen wie van ons op die niet beargumenteerde gronden het meest gelijk heeft”. Of nog erger “we zijn tegen het einde van het debat nog steeds aan het uitleggen dat er geen enkele definitie van deze stelling is die je op dit moment in Nederland uit kunt voeren”

– Natuurlijk is het goed als debatteren mensen dingen leert waar ze in het dagelijks leven direct profijt van hebben, zoals het zien van het belangrijkste argument voor iets. Ik ben het niet me je eens dat BP die vaardigheden niet traint (als je een spervuur afschiet als eerste helft wordt je in de 2e helft op het meest relevante punt uitgeanalyseerd)

– Daarnaast is het de vraag of we als debatwereld moeten conformeren aan “de gemiddelde krantenlezer”, of juist trots moeten zijn dat we elk jaar weer een groep mensen dwingen veel meer uit zichzelf te halen dan dat. Er wordt vaak beweerd dat de meer filosofische, minder tactische, manier van debatteren ons vervreemd van de rest van de maatschappij. Ik krijg daarentegen juist altijd te horen dat debatteren “maar een kunstje” is, bedoeld om het zo min mogelijk over de inhoud te hoeven hebben. Als ik dan vertel dat het juist steeds meer gaat om de inhoud, en zowel over morele als praktische vraagstukken, vinden mensen dat juist in positieve zin meevallen

Daniel SchutGeplaatst op11:09 am - feb 7, 2013

Ha Springer! Leuke reactie! Mijn reactie:

– over beleidsstellingen: ik denk dat één van de merites van een plan is, dat het ook gewoon écht werkt. En dat hoeft dan niet in detail aangetoond te worden, maar op hoofdlijnen als prop kunnen omgaan met causale en finale mechanismes en de weerbarstige burger lijkt me toch best fijn. Overigens: je idee van de dubbele bewijslast klopt alleen maar als je een status quo presumptie doet, waarmee ik bedoel dat je blijkbaar (misschien onbewust) gelooft dat de bewijslast per definitie ligt bij de partij die afwijkt van de huidige communis opinio. Maar waarom zou dat zo moeten zijn? Juist de status quo presumptie is één van de zaken die mij tegenstaan in het AP zoals ze dat nu in Amerika bedrijven, en is dus één van de ‘regels’ die we in het Nederlands AP al snel overboord gegooid hebben.

– over de ‘waarom’-vraag: ik denk niet dat het regelmatig stellen van de ‘waarom’-vraag hetzelfde is als (gepretendeerd) diep filosofische verhandelingen over vrijheid, gelijkheid en utilisme versus deontologie die we nu overal rondstrooien. Ik denk dat een topambtenaar van Binnenlandse Zaken die een beleidstuk aan het schrijven is, zichzelf ook ontzettend vaak de ‘waarom’-vraag stelt- sterker nog, dit heet ‘argumentatieve beleidsanalyse’ en dat is zelfs een vak voor beleidsmakers.

– over welke vaardigheden AP en BP trainen: ‘uitgeanalyseerd’ worden is slechts één voorbeeld. Ik heb nog nooit een BP-conclusiebeurt gezien waarin mensen op dezelfde sluwe manier de tegenstander inkaderen en framen, en ook hardop de timing van argumentatie bespreken – iets wat ik wel heb gezien bij AP.

– over voor wie we dit doen: het lijkt erop dat je een vals dilemma opzet: óf we doen het voor filosofiestudent en dan heeft het wel inhoud, óf we doen het voor de maatschappij en dan is het ‘een trucje’. Maar er zijn natuurlijk meer opties: de bestuurskundestudent, de rechtenstudent (helemaal staats- of bestuursrecht), de bedrijfskundestudent, de biologie- of psychologiestudent opereren allemaal in paradigma’s die relevante bijdrages kunnen leveren aan het debatteren, maar die worden nu ondergewaardeerd omdat we collectief de argumentatie afkomstig uit morele filosofie (niet eens meer politieke filosofie – lees Rawls’ ‘political liberalism’ maar eens voor het onderscheid tussen die twee!) overwaarderen ten koste van andere mogelijke argumentatielijnen.

Dat brengt mij op een vraag: in de VS hebben ze dergelijke debatten al in de jaren 60 en 70 gehad. Ze kwamen er achter dat er een paar intern consistente ‘paradigmas’ van debatteren zijn die niet tot elkaar reduceerbaar zijn. Bijvoorbeeld het paradigma of principe-argumentatie meer gewicht verdient, ook al verliest een prop het op de praktische. In plaats van elkaar de tent uit te vechten in een Amerikaanse bondsraad, hebben ze de praktijk ingesteld dat juryleden van te voren kenbaar maken wat hun paradigma is: zijn ze meer van de filosofische benadering, de beleidsbenadering of willen ze een retorisch sterk spel? Wat vinden jullie van dit idee?

    Tomas BeerthuisGeplaatst op12:59 pm - feb 7, 2013

    Bij sommige debatten is de implementatie helemaal niet relevant, of helemaal niet interessant. De Worlds final van vorig jaar was “TH supports nationalism”, niet alleen een interessant onderwerp, ook prima bedebatteerbaar. Ik vind het een misvatting dat principiele debatten opeens ‘niet meer interessant’ voor de ‘normale burger’ zijn (wat ik op zich ook al een twijfelachtig criterium vind). De ‘gewone burger’ is echt niet alleen maar geinteresseerd in analyses over effectiviteit, backlash, blablabla, maar kan volgens mij ook best wel morele vraagstukken interesseren. Maar los daarvan: het is ook een misvatting dat principiele debatten helemaal niet meer over praktische zaken gaan: bij deze stelling kunt je wel degelijk over uitwerkingen van nationalisme praten. Dat betekent niet dat je er per se een beleidsstelling van moet maken, puur voor de sake of it.

      Daniel SchutGeplaatst op1:14 pm - feb 7, 2013

      Wat ik zo interessant vind aan deze reactie, is dat hieruit blijkt dat iedereen het eigenlijk met elkaar eens is. Want waar geeft Julien commentaar op? Vooral de vergezochte intellectuele hoogdraverij – hij zegt geenszins dat een principieel debat verkeerd is, hij zegt dat intellectuele luchtfietserij verkeerd is. Sterker nog, hij stelt juist dat het kunnen voeren van beide soorten debatten een goed idee is.

      Overigens zit er ook een belangrijk verschil tussen ‘de stelling’ en ‘het debat’. De stelling is de aanleiding voor een debat en geeft hiermee belangrijke grenzen aan voor de argumentatieve speelruimte. Omdat een ‘analytische’ stelling (en ik vind dat nog steeds een ongelukkig woord, omdat in de (taal)filosofie het woord ‘analytisch’ een hele precieze betekenis heeft die hier niet van toepassing is) de argumentatieve speelruimte meer beperkt dan een ‘beleidsstelling’, vind ik dat je met reden beleidsstellingen doorgaans interessanter kan noemen. Dat je dan één mooi voorbeeld kan noemen van een mooie ‘analytische’ stelling, is dan natuurlijk onvoldoende weerlegging.

        Tomas BeerthuisGeplaatst op1:00 am - feb 8, 2013

        Wat is dat dan precies, ‘intellectuele luchtfietserij’? Volgens mij staan de meeste onderwerpen die tegenwoordig (analyse)stellingen zijn wel in De Economist (Julien’s criterium), dus ik ben erg benieuwd naar wat dan precies het criterium is voor ‘hoogdraverij’. Maar dat is misschien meer een vraag voor Julien, maar voel je vrij om te antwoorden uiteraard Daniel ;).

        Volgens mij zijn we het niet met elkaar eens, want jij en Julien lijken liever geen analyse stellingen te doen, maar liever beleidsstellingen. Mijn vraag is: dat hoeft toch helemaal niet per se? Hoezo maakt of iets werkt het debat interessanter? Zoals ik al eerder zei: beleids debatten kunnen heel technisch en zeurderig worden, vindt de gemiddelde krantenlezer dat interessant? Bij zo’n stelling als nationalisme heb je een heel puur debat over of dat wel of geen goed idee is (met als nog een praktische kant als je dat wilt), daar heb je helemaal geen beleid voor nodig. Dat je dat aan de kant schuift als ‘een voorbeeld’ is een beetje flauw, hier is er nog een (Oxford ’12): THBT companies should not take public stances on gay rights issues

          daniel schutGeplaatst op7:51 am - feb 8, 2013

          Tomas, je hebt door dat het voorbeeld dat je noemt een voorbeeld van een beleidsstelling is? Beleidsstellingen herken je aan woorden als ‘would’ en ‘should’ en impliceren een handeling van iets of iemand.

          Tomas BeerthuisGeplaatst op12:47 pm - feb 8, 2013

          Volgens mij is dit een stelling waar helemaal geen ‘beleid’ of ‘plan’ bij komt kijken, maar een waardedebat over of bedrijven wel of niet publiekelijk standpunt in zouden moeten nemen op gay rights issues. Het gaat dus ook niet over of het plan om dit te bereiken effectief is (want dat is er niet). Als het een beleidsstelling was had hij er zo uitgezien: THW force companies to not take public stances on gay rights issues.
          Maar nu is voor mij dan al helemaal niet duidelijk meer wat voor soort stellingen je niet OK vindt, zie mijn eerdere vraag: wat zijn dan het soort stellingen die we niet zouden moeten doen? Een voorbeeld zou welkom zijn.

Daniel SchutGeplaatst op2:03 pm - feb 8, 2013

Nu ik de discussie zo terug lees, zie ik inderdaad waar wij elkaar verkeerd begrijpen: ik maak, zowel in het interview als in mijn hoofd doorgaans, een onderscheid tussen de stelling enerzijds en het uit de stelling voortvloeiende debat anderszijds. ‘De stelling’ is een taalkundig fenomeen (ik wil zeggen: ‘talig fenomeen’ of zelfs ‘semantisch fenomeen’, wat misschien correcter is, maar ik merk dat mensen die term vaak eng want onbekend vinden), terwijl ‘het debat’ een sociaal, cognitief en taalkundig fenomeen is (ik wil zeggen ‘pragmatisch’ of zelfs ‘pragmatisch én semantisch fenomeen’, maar ook dit is taalkundig jargon wat ik ten eerste zelf onvoldoende precies beheers maar dat ten tweede ook debaters zelf afschrikt – ook al hebben we verder geen enkele moeite met meta-ethisch jargon als ‘deontologie’ en ‘utilisme’).

De stelling is niets meer dan de zin die op het scherm verschijnt. De woorden die debaters opschrijven als ze druk doende raken om een debat voor te bereiden. En van dat soort zinnen dat op het scherm verschijnt, heb je drie soorten: feitelijke, waarderende en beleidsstellingen. En wat Julien hier zegt, is dat beleidsstellingen als taalkundig fenomeen de twee voorgaande types stellingen in zich bevatten. Dat kun je eenvoudig zien door een beleidsstelling te vertalen naar: “We zijn nu in situatie X (de status quo), we willen naar situatie Y (het ideaal) en we komen daar door handeling Z te verrichten (de voorgestelde beleidsactie).” Door de stelling zo te formuleren, kun je een debat voeren over X, Y én/of Z, naar gelang het de debaters belieft.

Het debat is het spelletje wat we met zijn allen het liefste spelen, en dat uit zich het meest direct in de juryfilosofie. Ideeën als ‘status quo-presumptie’, ‘een beleidsstelling moet altijd een handeling van een overheid zijn en dus uitvoerbaar zijn’, ‘een debat moet vooral gaan over vragen als effectiviteit, efficiëntie en uitvoerbaarheid’ zijn allemaal elementen uit een juryfilosofie die bij uitstek bij het beleidsdebat horen – iets wat we letterlijk teruglezen, bijvoorbeeld in Braets ‘effectief debatteren’, maar ook in de handleidingen van bijvoorbeeld de CEDA, NDT en APDA. Merk overigens op dat Daniël Springer hierboven met zijn status quo presumptie dus per ongeluk een typische juryfilosofie hanteert die hoort bij het beleidsdebat, ondanks dat hij niet voor het beleidsdebat lijkt te zijn.

Dit verschil in jury-opvatting komt tot uiting in de aanduiding ‘policy debate’ versus ‘parliamentary debate’ – in een policy debate komt vooral de uitvoerbaarheid van het beleid aan bod (en de feitelijke analyse van de status quo middels standaardgeschilpunten als ‘inherency’), maar niet de meer ethische discussie, terwijl in het parlementaire debat ook de ethische vraagstukken aan bod komen, en de uitvoerbaarheid minder belangrijk is. Overigens is dit verschil meer ontstaan door de socio-culturele verschillen en de geschiedenis van de debatcultuur dan iets anders: in de VS doen ze debatteren bij de ‘forensische studies’, in het VK zijn het de PPE-mensen die debatteren.

Misschien verheldert dat de zaak wat?

    Tomas BeerthuisGeplaatst op5:39 pm - feb 8, 2013

    Brengt zeker verheldering! Maar mijn punt is: mij lijkt het soms (zeker niet altijd) leuker en duidelijker om te debatteren over een specifiek vraagstuk, en niet altijd over de uitvoerbaarheid. Door die uitvoerbaarheid helemaal uit de stelling te halen krijg je een debat wat minder vertroebeld wordt. Als je als CA-team wil dat een debat juist over het morele vraagstuk gaat, vind ik dit dus een hele goede manier om dat te doen. In 2011 zette het CA-team op het BP toernooi bijvoorbeeld de stelling: DK vindt kunstmatige conceptie immoreel, zolang er nog kinderen op adoptie wachten. Dan haal je alle uitvoerbaarheid vertroebeling er dus uit, om debaters te dwingen over het morele vraagstuk te praten. Nog een illustratie daarvan: in 2012 zette het DTU CA-team de stelling DK vindt dat vrouwen in Nederland voldoende zijn geemancipeerd (o.i.d.). We kunnen het over deze specifieke stelling hebben, maar het idee ervan is goed: in veel emancipatie debatten kiest opp de uitvoerbaarheid lijn omdat die makkelijker te winnen is, terwijl het soms juist nuttig/leuk/waardevol is om over het probleem zelf te praten.

    Maar misschien zijn we het daarover gewoon oneens Daniel. Ik voel weer een verhitte avond discussie aankomen op een of ander conferentieoord. Deja’vu? 🙂

Daniel SchutGeplaatst op6:05 pm - feb 8, 2013

He, dat is toch jammer, ‘agree to disagree’.

Je voorbeeld van kunstmatige conceptie is een beter voorbeeld van een waardestelling – die herken je vaak aan een emotie-aanduidend werkwoord na ‘DK’: “DK vindt dat…” of “DK betreurt dat…”

Wat mij betreft kunnen debaters juist met een beleidsstellingen ervoor kiezen om het debat vorm te geven zoals ze het zelf willen. Bijvoorbeeld, toen Will Jones en James Dray in Talinn werden geconfronteerd met de stelling’THW abolish income tax’, begonnen ze hun eerste prop-speech bewust door te zeggen dat ze hier geen beleidsdebat van wilden maken – ze kwamen dus ook totaal niet met een plan, maar alleen maar met een case om uit te leggen waarom de inkomstenbelasting onrechtvaardig was, en een vaag voorstel dat het vervangen zou worden door iets als een consumptiebelasting.

    Tomas BeerthuisGeplaatst op6:32 pm - feb 8, 2013

    Het verschil is dat bij een beleidsstelling de oppositie nog steeds kan zeggen: en nu gaan wij het uitvoerbaarheidsdebat voeren (ook waar Springer op doelde volgens mij). Bij een waardestelling schakel je precies die vertroebeling uit.

Daniel SchutGeplaatst op6:37 pm - feb 8, 2013

Waar, maar dat is precies het strategische aan zo’n debat: de oppositie moet immers wel duidelijk maken waarom dit relevant is. Als de voorstanders er al voor kiezen om die bewijslast niet op zich te nemen (en dus erkennen dat ze die case bij voorbaat als concessie beschouwen en er dus niet over gaan debatteren), waarom is het dan toch relevant dit als oppositie als eerste aan te vallen?

    Tomas BeerthuisGeplaatst op7:56 pm - feb 11, 2013

    Het heeft niets te maken met strategie, het heeft te maken met waar je wilt dat het debat over gaat. Dus bij DH verbied abortus kan opp een heel verhaal houden over ‘home-made-abortions’ en wat voor praktische schade dat heeft, terwijl dat bij DH vindt abortus immoreel niet kan. Als je dus wilt dat het debat over een principe gaat zonder (bijvoorbeeld erg naar een kant hangende) praktische zaken, dan is een waardestelling superieur

Reacties zijn gesloten.