Opiniestukken

doorBionda Merckens

D. Schut waarschuwt de debatwereld nog één keer, 6

Vraag een doorsnee debater wat ze weten van de hedendaagse argumentatieleer en u krijgt een blik leger dan het donkere hart van Gargamel. “Ik lees The Economist, dat is toch genoeg?”. Nee, dat is niet genoeg. Debatteren draait om argumentatie en argumentatie is een volwassen academische discipline waar debaters naar hartenlust uit zouden kunnen, nee, moeten putten. In deze reeks maak ik u een beetje wegwijs in die wereld, vandaag over…

Sociale en consumentenpsychologie

Aan het eind van deze reeks, een domper. Er zijn beroepsovertuigers die nóg minder weten van argumentatietheorie dan wij. In de Mefistofelische miljardenindustrie van PR, reclame en marketing loont kennis van logica en kritische rede blijkbaar niet. Wat weten zij wat wij niet weten?

De communicatie-industrie draait om ‘attitude’: een globale houding van een persoon jegens iets. Attitudes hebben cognitieve en affectieve aspecten: het eerste is een set met elkaar verband houdende proposities, zoals ‘roken veroorzaakt longkanker’, het tweede een gevoelsoordeel over die propositie(s), zoals de doodsangst en ziektevrees die men voelt bij longkanker.

Meer lezen

doorBionda Merckens

D. Schut waarschuwt de debatwereld nog één keer, 5

Vraag een doorsnee debater wat ze weten van de hedendaagse argumentatieleer en u krijgt een blik leger dan het donkere hart van Gargamel. “Ik lees The Economist, dat is toch genoeg?”. Nee, dat is niet genoeg. Debatteren draait om argumentatie en argumentatie is een volwassen academische discipline waar debaters naar hartenlust uit zouden kunnen, nee, moeten putten. In deze reeks maak ik u een beetje wegwijs in die wereld, vandaag over…

(Pragma)dialectiek

Wij debaters zijn gewend meningsverschillen als spel te zien. Buiten de debatwereld is dit niet gebruikelijk. Wat als we dat wel doen? Wanneer is iets ‘buitenspel’, wanneer een ‘goal’?

Verschillende auteurs uit informeel-logische hoek expliciteerden de regels van een meningsverschil door, net als bij voetbal, tactische zetten, rollen en succescriteria te beredeneren en vast te leggen . Kamlah en Lorenzen stelden in hun ‘Logischen Propädeutik’ bijvoorbeeld dat een tegenstander “wint” wanneer hij succesvol één van beide leden van de uitspraak “A én B is waar” aanvalt, maar de tegenstander mag elk lid maar éénmaal aanvallen. Elke logische uitspraak heeft zijn eigen verzamelingen van tactische handelingen op het gebied van beweren, aanvallen en verdedigen. Dit inspireerde de formele dialectiek van Barth en Krabbe, waarin ze meer dan dertig ‘spelregels’ opstellen, met regels als “er moet een propositie en een oppositie zijn”, “de oppositie heeft een neutrale contrapositie jegens de propositie” en “een speler kan zich verdedigen middels een tegenaanval óf een protectieve verdediging”. Deze rollen, zetten en succescriteria definiëren gezamenlijk een ideaaltypische norm voor een “kritische discussie”.

Meer lezen

doorBionda Merckens

D. Schut waarschuwt de debatwereld nog één keer, 4

Vraag een doorsnee debater wat ze weten van de hedendaagse argumentatieleer en u krijgt een blik leger dan het donkere hart van Gargamel. “Ik lees The Economist, dat is toch genoeg?”. Nee, dat is niet genoeg. Debatteren draait om argumentatie en argumentatie is een volwassen academische discipline waar debaters naar hartenlust uit zouden kunnen, nee, moeten putten. In deze reeks maak ik u een beetje wegwijs in die wereld, vandaag over…

Sociolinguïstiek

Mijn collega vraagt: “Wat vond je van mijn presentatie”. Ik antwoord: “Tja, het is best moeilijk een goede presentatie te geven…”. Inhoudelijk zeiden we vrijwel niets en toch gebeurde er in deze miniconversatie veel. Maar wat?

De sociolinguïstiek is historisch een uitvloeisel van de linguistic turn in de filosofie. Filosofen als John Austin, John Searle en Paul Grice vroegen zich af hoe mensen dingen doen met woorden.

Meer lezen

doorBionda Merckens

The Euros 2011 ESL final deserved a better motion

On the request of SevenTwenty, Eric Stam agreed to voice his opinion on the ESL final motion in order to start a proper debate about motion setting and the “parliamentary” nature of parliamentary debate. On Friday, Manos Moschoupoulos will respond with a defense of the motion. Any other author wishing to contribute to this debate can use the respond boxes below, or send in an article to seventwenty@debatbond.nl.

There seems to be something ‘’wrong’’ with motions used in ESL final rounds. At Cork Worlds 2009, the motion ‘’This House Would require a domestic quota of players in football teams’’ was held responsible by many debaters for a poor performance of some of the teams in the final, which eventually resulted in a petition on Facebook ‘’This House Believes the ESL final motion of Cork Worlds 2009 is a disgrace’’. I remember that I didn’t sign that petition because I believed it to be an excellent motion. Not only because I strongly disagree with those who claim that football has a marginal societal impact, but also because it was a perfectly fair and balanced motion in my opinion. I couldn’t comprehend that some people believed this was a debate that required ‘’specific knowledge’’. Some people – literally – didn’t know who Lionell Messi was. That time, I was asking myself: How can people be so ignorant? How can people live such an empty and shallow life?

However, I must confess I had a strong emotional reaction myself when I heard the motion of the ESL final of the EUDC this year. Not that it was of any concern to me – I wasn’t there, it was not my final – but there was clearly a sense of disbelief on not just my part but also on Facebook and Twitter after the motion was announced. Surely, debating the existence of God might be very interesting to people. No doubt it’s one of the biggest questions in life for many people around the world. But how – in the name of God – did it qualify as a good final motion for the ESL competition?

Meer lezen

doorBionda Merckens

Mensenrechten zijn belangrijk!

Verguisde argumenten moeten weer kunnen

Bijna elke beginnende debater is er wel eens mee geconfronteerd: in je eerste debat moet je een controversieel plan aanvallen; bijvoorbeeld dat sommige mensen, zoals verslaafden, geen kinderen zouden mogen krijgen. Trots sta je op en verkondig je met veel flair dat het krijgen van kinderen een recht is, een mensenrecht zelfs, en dat zoiets niet ingeperkt mag worden. Op het eerste moment is het dan ontgoochelend als de voorstanders, de mensenrechtenschenders, dan toch vaak met de winst aan de haal gaan. De uitspraak van de jury is dan ook vrij schokkend: je komt hier niet mee weg om een mooi praatje te houden over mensenrechten; bij het debatteren gaat het erom dat je uitlegt waarom iets een mensenrecht is, en waarom dát er nu voor zorgt dat je dat recht niet mag afschaffen. In het ideale geval gaat de beginnende debater met deze feedback aan de slag en leert het argument ‘rechten’ uit te werken. Dus hij leert hoe je rechten moet balanceren en de eerstvolgende keer worden er al denkstapjes gemaakt richting een eloquente inhoudelijke verdediging voor het altijd krijgen van kinderen.

Taal en signaal

Ik heb het met opzet over ‘in het ideale geval’. Want heel vaak begrijp je als beginnende debater niet zo goed wat er nu precíes misging. En dat komt doordat de beginnende debater en het ervaren jurylid het woord ‘mensenrechten’ gebruiken, ze het beide over andere definities van hetzelfde woord hebben.

Hoe komt dat? In het boek “Don’t think of an elephant!” legt de Amerikaanse linguïst en politiek activist George Lakoff uit dat hetzelfde woord voor twee verschillende personen een heel verschillende betekenis kan hebben, omgeven door de context waarin het woord geleerd en gebruikt word. Voor een Republikein roept het woord “familie” associaties op met een strenge vader die de orde in het gezin handhaaft, een moeder die het gezin verzorgt en kinderen die naar hun vader te luisteren hebben. Voor een Democraat is het begrip “familie” verbonden met een veel vrijere opvoeding, waarin kinderen de vrijheid moeten worden gelaten om zelf dingen te ontdekken en te leren van fouten. Ouders hebben hierin een sturende rol. Met woorden als “mensenrechten”, “sociaal contract” en “signaalfunctie” is in de debatwereld iets soortgelijks aan de hand. De beginnende debater vind een “recht” heel erg belangrijk, omdat er in de media en in het politieke diskoers heel veel belang aan word gehecht. Er zijn zelfs mensenrechtendagen! Het sociaal contract is de noemer van een van de grootste en – sinds John Rawls het begrip herintroduceerde – belangrijkste theorieën binnen de politieke filosofie. Ook het signaal dat overheidsbeleid uitstraalt komt vaak terug: veel columnisten in de NRC en de Volkskrant schrijven bijvoorbeeld vooral over het ‘mensbeeld’ dat uitstraalt van de plannen het kabinet Rutte. Voor ervaren debaters hebben deze begrippen echter een andere betekenis: zij associëren dit soort woorden met slecht uitgewerkte ‘claims’ en met saaie binrooms. Vandaar dat het gebruik van dit soort labels vaak er al voor kan zorgen dat jij en je team minder serieus genomen worden door ervaren juryleden. Terwijl jij denkt een belangrijk argument te brengen, word je gezien als een claimende amateur en naar de bins verwezen.

Frame het debat anders!

De huidige oplossing die dit probleem kent is dat de beginnende debater zich aanpast aan de framing van de ervaren debaters. Niet langer heeft men het over ‘het sociale contract’, maar wel brengt men de analyse die eronder valt. Naarmate je langer meeloopt op toernooien begin je ook meewarig te denken over mensen die ‘signaalargumenten’ brengen en gniffel je zachtjes van binnen als de spreker tegenover je het over mensenrechten heeft.

Er zijn twee problemen met deze huidige aanpak. Ten eerste zijn deze ‘slechte argumenten’ eerst zo genoemd omdat ze wel degelijk iets over konden brengen. Elk woord heeft nu eenmaal een – sorry – signaalfunctie: het word heel gauw duidelijk waar je het over hebt. Doordat er een soort taboe rust op woorden die makkelijk signalen kunnen overbrengen, word het moeilijker om duidelijker te communiceren in het debat. Een ander belangrijk punt is dat de debatwereld hiermee afgesloten raakt van de wereld hierbuiten. Beginnende debaters moeten een grotere inspanning verrichten om mee te kunnen doen, omdat ze hun hele begrippenkader moeten bijstellen. Voor veel mensen die wel eens rondsnuffelen bij een debatvereniging kan het dedain voor jouw taalgebruik leiden tot een vlucht naar een andere vereniging. Maar bovendien worden we minder overtuigend voor de buitenwacht: woorden als mensenrechten hebben daar nu eenmaal nog steeds veel invloed en aantrekkingskracht. Willen we aansprekend zijn buiten de debatzaal, dan is het belangrijk dat we begrijpen dat bepaalde woorden buiten onze debatwereld sterker klinken dan wij denken.

De oplossing is niet makkelijk: in feite moeten we de oorspronkelijke betekenis van het woord ‘terugclaimen’: een slutwalk voor het sociaal contract. Ervaren en succesvolle debaters, die vaak het diskoers domineren doordat mensen naar hen luisteren – zij zijn immers de topdebaters waar je als beginnende debater naar opkijkt, en zij jureren vaak de debatten op toernooien -, moeten deze woorden weer opnemen in hun speeches: niet als verontschuldigende inside-joke, maar met de betekenis die deze labels eerst hadden. Sluit analyses over het verkrijgen van kinderen af met ‘en dat vinden wij zó belangrijk, dat we hebben besloten het in onze wetten op te nemen’. Leg goed uit aan die debaters die net beginnen met debatteren hoe ze rechten moeten afwegen. Maar geef hen niet het advies om de woorden “sociaal contract’ of “signaalfunctie” te verzwijgen. Dan houd je namelijk de bovengenoemde problemen in stand.

doorBionda Merckens

Debatteren in je tweede taal

Een groot deel van de Nederlandse debaters heeft het wel eens gedaan, en een gedeelte doet het zelfs regelmatig: debatteren in het buitenland. Nu het Engelstalige circuit zich uitstrekt van Ierland en Engeland tot Litouwen, Turkije en de Aziatische landen, is er voor elk wat wils en ongeveer wekelijks een mogelijkheid om naar het buitenland te gaan.

Het debatteren in een andere taal dan je moerstaal is echter niet altijd gemakkelijk. Elke debater die het wel eens heeft geprobeerd, weet dat het niet begrijpen van bepaalde woorden, het nadenken over woordgebruik en een minder natuurlijke kennis van de grammaticastructuur behoorlijk belemmerend kan werken.

Veel zogenoemde “ English as a Second Language”, of “ESL”-debaters, zijn al tijden gelukkig met de ESL wedstrijden die vaak binnen competities gehouden worden. Verschillende Nederlanders zijn inmiddels al wereldkampioen in de ESL categorie geworden, de Nederlanders domineren vaak internationale finales en winnen regelmatig sprekersprijzen.

Jureren

De doorbraak van verschillende Nederlandse teams in de top van het Britse circuit (zo wonnen Ali Al Khatib en Rob Honig afgelopen jaar de Cork IV), heeft de discussie over ESL als categorie weer enigszins doen oplaaien. Als ESL teams blijkbaar ook de gewone finales kunnen winnen, waar is die categorie dan nog voor?

Stel echter de afschaffing van de extra categorie voor, en Nederland Debatland staat op zijn achterste benen. Vaak benoemt men hier als argument dat, vooral IONA (Isles of the Northern Atlantic), juryleden een negatieve bias naar ESL teams hebben. Ook al bestaat er consensus dat een goede inhoudelijke speech ook zo gewaardeerd moet worden, zelfs als de spreker een aantal grammaticafouten maakt of duidelijk net een verkeerd begrip kiest, blijkt dat ESL teams door hun taalachterstand soms alsnog verliezen. Zelfs al hadden ze inhoudelijk gelijk.

Tot op zekere hoogte is dit te begrijpen. Een ESL-debater, zeker iemand die niet vaak in het Engels debatteert en nog niet per se gewend is aan het andere debatjargon, is soms door zijn wat hakkelende spreektempo, onduidelijke uitspraak en verkeerde woordkeuze moeilijker te volgen. Dat maakt echter niet dat de juryleden geen inspanningsverplichting hebben. Op zowel EUDC als WUDC worden er jurytesten uitgevoerd, waarbij het onterecht laten verliezen van een ESL team je minpunten op je juryranking oplevert. Men verwacht van juryleden dat ze hun uiterste best doen ESL debaters te begrijpen, want zij kunnen niks aan hun taalachterstand doen.

De andere debaters

Ook voor de andere debaters kan het lastig zijn als er een ESL debater meespreekt. Als je niet begrijpt wat er gezegd wordt, maakt dat het lastig reageren en weerleggen. Dit is een extra hindernis, die ook meespeelt als ESL-teams ESL-teams uit andere landen treffen. Wie van de Nederlandse debaters heeft nooit geklaagd over de zware Oost-Europese accenten van sommige debaters? Hierdoor loopt het debat extra risico onduidelijk te worden, met teams die langs elkaar heen spreken. Ook dit heeft weer invloed op de uiteindelijke score van debaters, en hoeft niet per se met een bias te maken te hebben: het is een logisch gevolg van de taalachterstand.

Publiek

Nog moeilijker wordt het als er ook een groot publiek aanwezig is. De stijl waarin de meeste internationale debatten plaatsvinden, Brits-Parlementair, dwingt juryleden om actief mee te schrijven. Vaak doet het publiek dat echter niet. Daar waar juryleden die goed hun best doen tweede-taal sprekers vaak inhoudelijk nog goed kunnen volgen, is het overtuigen van een publiek en grapjes op het juiste moment maken lastiger.

Een interessant recent voorbeeld hiervan is de finale van het Kalliope Debattoernooi 2011. In de finale stond Arielle Dundas, wier eerste taal Engels is, en wier tweede taal Nederlands. Na het debat dachten veel mensen in het publiek dat haar team het debat verloren had. Ze was volgens die mensen immers niet goed te volgen geweest. Een aantal van de teams in het debat deelden dat gevoel.

De jury echter niet. Zij hadden actief meegeschreven, en door de taalproblemen heen gekeken. Daar waar het publiek Arielle beoordeelde op retorische vaardigheden, keek de jury door het systeem van meeschrijven naar de inhoud. En, samen met Adriaan Andringa, won zij het toernooi.

Op dat moment werd in het publiek al vrij snel de vraag gesteld “Maar hoe kan iemand winnen die we niet begrijpen?”.  Voor een actief debatland, wat al tijden bezig is met een lobby om ook op internationale toernooien juryleden zo ver te krijgen dat ze door taalproblemen heen kijken, is deze reactie toch teleurstellend. In dit debat maakte men eindelijk mee waar veel Britten, Amerikanen en Australiërs al tijden over klagen: een taalbarrière. In plaats van erover te klagen, zou het mooi zijn als Nederland Debatland deze ervaring meeneemt in toekomstige discussies over de ESL-categorie. Een beetje mededogen met onze Britse buren als wij weer met steenkolenengels aankomen, kan immers geen kwaad.

(Men kan natuurlijk de vraag stellen in hoeverre een debater slechts beoordeeld  mag worden op inhoud, en in hoeverre overtuiging in de breedste zin van het woord essentieel is. Voor wie dat wil: voel je vrij een artikel voor Seventwenty in te sturen naar seventwenty@debatbond.nl. )

doorBionda Merckens

De Afrikaanse Kampioenschappen in Namibië

Leela Koenig was CA van EUDC Amsterdam 2010 – Spread the Love. Ze beschrijft haar ervaringen op de Pan-African Universities Debating Championchips in Namibië.

Van 4 tot 11 December 2010 vonden de Pan African Debating Championships plaats. Dit toernooi is voor het eerst in 2008 georganiseerd door de crew van Botswana die de wereldkampioenschappen organiseerde in 2010, om te laten zien wat ze konden. Uit dat prestigeproject is een heus Afrikaans Kampioenschap ontstaan dat nu diens derde editie beleefde in Windhoek, Namibië. Ik mocht er jureren en ik wil jullie graag kort vertellen hoe het daar was. De organisatie bestond uit wat oudere studenten die het toernooi op de campus van University of Namibia (met 30.000 studenten) organiseerden. Deze campus ligt ver buiten het centrum van de hoofdstad, in contrast met de campus van de zogeheten Polytechnic, maar, om mij onbekende, ‘politieke’ redenen kon daar het toernooi niet worden gehouden. Het is bijzonder wat er op de campus gebeurde. Het viel me op hoe zwaar het was voor de organisatie om alles op orde te houden. Niet iedereen waar ze afspraken mee maakten werkte mee, want als je weinig geld hebt, en dus weinig kunt betalen, bestaat het risico dat men zich niet aan diens woord houdt. Eten kwam te laat; was op; kamers waren niet schoon; water uit de douche viel uit, en dat leidde tot frustratie bij sommige debaters. Maar voor mij maakt dat eigenlijk vrij weinig uit. Niets kon mij afleiden van het feit dat ik eindelijk debatten mocht jureren in een wereld die mij al zo lang fascineerde, maar die zo ver weg bleef: het Afrikaanse debatteren.

Als ik het vergelijk met het niveau van de Europese Kampioenschappen, dan vallen mij een paar dingen op. Ten eerste is men echt enorm eloquent. Ik hoorde prachtige beeldspraak, rustige, duidelijk uitgesproken speeches; scherpe en kalme weerleggingen- het was een genot om naar te luisteren. Ten tweede, ik hoorde argumentatie die ik zelf niet in eerste instantie bij een stelling zou hebben gebracht als ik in het debat had gezeten, wat het jureren ontzettend leuk maakte. Bij een stelling over stemrecht voor enkel hoogopgeleiden (een oefenstelling die ik zette voor wat über-actieve debaters uit Johannesburg) was de kern van de argumentatie niet dat ‘het volk’ populistisch stemt en makkelijk te beïnvloeden is et cetera, maar juist dat dit moest worden ingevoerd zodat politici niet langer het volk kunnen bespelen. De focus van het debat lag daarmee heel anders. Maar, daarnaast was het, net zoals bij het EK en de meeste toernooien, vaak niet al te best gesteld met de algemene kennis van de debaters. Bij de fantastische motie dat “The Arab World Should Apologize For Its Colonial Past” (en dus niet alleen het Westen) bleven de voorbeelden tegen deze motie vooral hangen bij het succes van Algerije, Marokko en Egypte (wat nu niet echt bij uitstek post-koloniale probleemlanden zijn….).

Ook de spreiding van het niveau is wat groter en anders. Het laagste niveau is niet lager of hoger dan bij het EK (of, bijvoorbeeld, Amsterdam Open), maar ik had het idee dat er wel meer teams op een beginnersniveau blijven steken, vooral omdat er geen ver ontwikkelde trainingsprogramma’s zijn zoals wij die hier mogen genieten. Ik merkte dat ook aan de enorme hoeveelheden feedback die ik door teams werd gevraagd te geven. Des te meer complimenten aan Joe Roussos, de Chief Adjudicator ( en dca op het WK), en zijn team dat de eerste twee dagen wijdde aan het geven van workshops (hij en ik aan de jury, Thoriso M-Afrika en Claire Hawkridge aan de debaters). Wat me ook opviel was de enorme Zimbabwaanse aanwezigheid. Vijftig van de honderdtwintig teams waren uit Zimbabwe, ze hadden drie dagen in de bus gezeten, en hun stijl was vlijmscherp. Ik zag zelf een eerste propositie case van de kwartfinale motie dat ‘Zuid Afrika de Marange Mijnen moet overnemen van Zimbabwe’ door een scholierenteam (!) uit Zimbabwe dat dit heel strak en ongehinderd kritisch opzette.

Tot slot nam de Afrikaanse gemeenschap de socials ook een stuk serieuzer dan ik gewend ben. In Europa wordt er natuurlijk goed gefeest, maar de meesten liggen rond een uur of twee netjes in bed. Niet in Namibie. Elke avond werd er tot diep in de nacht doorgedronken/gefeest/gevoetbald (ja, gevoetbald) en één van de avonden werd doorgebracht in één van de townships van Windhoek die, net als in Zuid Afrika, steeds vaker worden verbeterd doordat mensen die het buiten de townships gemaakt hebben terugkeren en de huizen van henzelf en hun familieleden opknappen. De finale van PAUDC werd gehouden in de prachtige tuinen van het Namibische parlement waarna de universiteit van Witwatersrand zich Afrikaans Kampioen mocht noemen. Vlak voor de finale uitslag werd de public speaking contest gehouden waar mensen werkelijk enorm uitpakten – het was meer komedie dan eloquentie, tot groot genoegen van het publiek. Deze finale werd gewonnen door een jongeman van Rhodes Univesity, zodat beide prijzen uiteindelijk naar Zuid-Afrika gingen.

De volgende PAUDC zal in Zimbabwe worden gehouden, en gezien het niveau van de Zimbabwaanse teams moet dat een mooi spektakel worden. Mocht iemand die dit leest zin krijgen om erheen te gaan (want je bent toch in de buurt) doe dat dan vooral, het is geweldig.

doorBionda Merckens

Over het functioneren van jury’s (II: Reputatie)

Nu de juryaccreditatie zal worden besproken op de eerstvolgende Bondsraad, aankomende vrijdag, en begin dit jaar door Reinier de Adelhart Toorop een pleidooi voor jurering zonder overleg besproken is in het verenigingsblad van ASDV Bonaparte, is de manier waarop debatten worden gejureerd weer een hot topic. Daarom presenteert SevenTwenty in twee delen een uitgebreide analyse van huidig Nederlands Kampioen Daniël Springer over jureren. Afgelopen dinsdag besprak hij de vraag hoe we om moeten gaan met informatiedeling in juryoverleg. Vandaag kijken we verder naar de invloed van reputatie.

Reputatie

Ik noemde eerder al even de de angst om negatief geëvalueerd te worden toen ik het had over het delen van unieke informatie. Ik denk dat “reputatie” als meer generiek punt een belangrijk element is bij de jurering van debatten en ik wil er dan ook apart op ingaan.

Tot nu toe heb ik grotendeels aangenomen dat juryleden een eenmalige interactie hebben met als gemeenschappelijke doelstelling: het vinden van de kwalitatief beste uitslag. Het is echter niet onwaarschijnlijk dat juryleden naast collectieve doelen ook nog individuele belangen hebben. Zo kan een jurylid graag worden gezien als competent (reputatie) en graag een breakronde willen jureren of worden gevraagd voor het CA team van een volgend toernooi.

De eerste vraag die we moeten beantwoorden is: wat bepaalt mijn reputatie als jurylid? Hierover kunnen de meningen verschillen, maar mijn gevoel is dat het vooral een kwestie is van bekend jurylid A die lobbyt voor jou als “breaking judge” en jou uitnodigt als hij/zij CA is van een toernooi. Degene die je als reputatie-gevoelig jurylid dus te vriend wil houden zijn daarom vaak de bekendere juryleden met wie je samen jureert.

De tweede vraag is: wat doen reputatieoverwegingen met mijn gedrag als jurylid? Als ik een signaal heb dat team B moet winnen, en mijn chair heeft een signaal dat team A moet winnen, wat doe ik dan? Zonder reputatie overwegingen zou een rationele actor zeggen: ik zeg gewoon dat ik signaal B heb. Immers, door beide signalen te combineren krijgen we meer precieze informatie over de uitslag. Laten we nu aannemen dat de chair denkt dat zijn/haar signaal een 80% kans heeft om goed te zijn. Als ik op zo’n moment signaal B noem, dan is de kans dus 80% dat ik incompetent ben (eigenlijk hangt dit af van mijn initiële reputatie, maar voor mijn punt is dat verder niet relevant).

Ik kan mijn reputatie dus altijd vergroten door mee te gaan met het signaal dat mijn chair noemt! Dat is nogal een sterke prikkel om mee te gaan met andere juryleden. Helemaal als we in ogenschouw nemen dat mijn chair mijn signaal waarschijnlijk toch zou hebben genegeerd (hij/zij is immers zeer zeker van zijn/haar zaak). Voor de geïnteresseerden: bovenstaande is een aanpassing van Morris (2001).

Om dit concreter te maken: ik jureerde een paar weken geleden de ESL finale van de Paris IV. Het was voor mij de eerste keer dat ik de breakronde van een internationale competitie jureerde. Met mij in de jury zaten alleen maar grote namen uit de internationale debatwereld. Na afloop van het debat riep de chair direct “team A wint”. Een tweede topjurylid viel direct in dat hij het daarmee eens was. Toevallig was dit een debat waar het ook wel écht heel duidelijk was, maar laten we voor de grap aannemen dat dit niet het geval was. Wat zou het voor mijn reputatie als jurylid hebben gedaan als ik tegenover vier mastodonten was gaan staan en had gezegd: “ik had team B”? Zouden zij aannemen dat ik unieke informatie probeerde te delen, of zouden zij zich afvragen waarom ik eigenlijk in de jury zat?

Conclusie

Ik heb twee belangrijke punten (informatie en reputatie) behandeld die uitsluitsel zouden moeten geven over de vraag of stemmen of overleggen beter is. In potentie is overleggen beter, omdat er meer informatie op tafel kan komen en omdat het voorkomt dat juryleden met een hogere kwaliteit signaal  worden overstemd door mensen met een lage kwaliteit signaal. Echter, ik heb aan de hand van zowel rationele als irrationele tendensen laten zien waarom we kunnen verwachten dat overleg vaak leidt tot verlies van waardevolle informatie en juist voor slechtere uitslagen kan zorgen. De vraag is nu: wat weegt zwaarder?

Het kan beter

Mijn scriptiebegeleider antwoordt op de vraag “is A beter dan B” altijd hetzelfde: it depends.  Ook hier lijkt me dat het geval. Reinier gaf al aan dat vooral breakrondes met AP format zich goed lenen voor stemmen. De reden hiervoor is dat alle juryleden hier een minimaal niveau hebben en dat door het AP format de afweging minder complex is dan bij BP. Dit principe is vervolgens dan ook in de praktijk gebracht bij (in elk geval) de afgelopen twee edities van het Bonapartiaans Debattoernooi.

De beperking van dit systeem werd duidelijk bij bijvoorbeeld een stelling over de Lord’s Resistance Army, waar juryleden mét bepaalde kennis voor het ene team stemden en juryleden zonder die kennis voor het andere team. Op zo’n moment was “uitwisseling van signalen” dus een goed idee geweest. Kunnen we dit probleem oplossen zonder van stemmen af te zien?

Ik denk van wel. Een mogelijke oplossing zou bijvoorbeeld zijn om de overlegtijd te beperken tot 5 minuten vlak voor het stemmen. Juryleden kunnen dan eerst hun eigen mening vormen, vervolgens nog even kennis nemen van de meest prangende signalen van andere juryleden, om vervolgens wel weer anoniem te mogen stemmen zonder de conformeringsdruk. Risico is natuurlijk wel dat als toevallig twee zwaargewichten uit het panel de 5 minuten kapen en beiden voor één bepaald team pleiten, dit voor eenzijdige informatievoorziening kan zorgen en minder ervaren juryleden onterecht aan het twijfelen kan brengen.

Een andere optie is om een aanhanger van zowel de voor- als de tegenstanders (of bij gebrek daaraan: iemand die aangewezen is als aanhanger van één partij) te vragen in 2 minuten de belangrijkste argumenten voor dat team te noemen. Op die manier ontstaat er een evenwichtig beeld en komen belangrijke signalen voor beide teams naar boven. Dit lijkt mij persoonlijk de beste optie voor die gevallen waarin stemmen een reële mogelijkheid is.

Voor het gros van de gevallen zitten we echter vast aan juryoverleg. Dat is op zich niet erg, maar er zijn een aantal dingen die we kunnen doen om ervoor te zorgen dat de nadelen minder prominent worden:

  1. wijs een “advocaat van de duivel” aan. Deze persoon moet tijdens het juryoverleg mordicus tegen de winnaar zijn die de rest aanwijst. Het voordeel hiervan is dat relevante informatie naar boven komt, terwijl de advocaat van de duivel zelf geen reputatieschade hoeft te vrezen (immers: het was zijn rol om tegen te zijn). Ik weet dat sommige juryleden dit automatisch al doen, maar we zouden het moeten institutionaliseren, zeker bij breakrondes.
  2. laat de breakkansen van een jurylid meer afhangen van feedbackformulieren dan van bemoeienis door grote namen in de debatwereld.
  3. de leiderschapsstijl van veel chairs, zeker in breakrondes, moet veranderen van “directive leadership” (“het is A en waag het eens tegen te zijn”) naar “supportive leadership” (“mag ik iemand vragen een case te maken voor team A en team B”).
  4. de initiële calls, wat nu vaak de manier is waarop een overleg wordt gevoerd, mogen de prullenbak in. Juist “anchoring” (het maken van een initiële beslissing zonder goed op de feiten in te zijn gegaan) zorgt voor een te vroeg commitment aan een bepaalde keuze en (de perceptie van) gezichtsverlies als later die keuze moet worden teruggenomen. Dit is zeker het geval als een chair direct zijn/haar initiële call bekendmaakt. Om met Sherlock Holmes te spreken: “It is a capital mistake to theorize before one has data. Insensibly one begins to twist facts to suit theories, instead of theories to suit facts.”

Ik hoop met dit artikel een verdere slinger te geven aan het jureringsdebat dat eerder al door Reinier begonnen. Jurering is één van de belangrijkste onderdelen van het debat, en goed nadenken over hoe we dat inrichten zal de debatsport kwalitatief ten goede komen én de externe validiteit van uitslagen te goede komen. Over juryrechtspraak in de VS kon Herbert Spencer nog terecht opmerken: “A jury is composed of twelve men of average ignorance.” Als debaters hebben we dat excuus helaas niet.

Referenties

Frey, D., Schultz-Hardt, S. & Stahl, D. (1996). Information seeking among individuals and groups and possible consequences for decision making in business and politics. In Witte & Davis (Eds.), Understanding group behavior: Small group processes and interpersonal relations (pp. 211-225). Mahwah: Erlbaum.

Morris, S. (2001), “Political Correctness”, The Journal of Political Economy, 109(2):231-265

Stroebe, W. & Diehl, M. (1994). Why groups are less effective than their members: On productivity loss in idea generating groups. In W. Stroebe & M. Hewstone (Eds.), European Review of Social Psychology (vol. 5. pp 271-303). London: Wiley.

Tindale, R. S. (1993). Decision errors made by individuals and groups. In N. J. Castellan Jr. (Ed.), Individual and group decision making: Current issues (pp. 109-124). Hillsdale: Lawrence Erlbaum.

doorBionda Merckens

Over het functioneren van jury’s (I: Informatie)

Nu de juryaccreditatie zal worden besproken op de eerstvolgende Bondsraad, aankomende vrijdag, en begin dit jaar door Reinier de Adelhart Toorop een pleidooi voor jurering zonder overleg besproken is in het verenigingsblad van ASDV Bonaparte, is de manier waarop debatten worden gejureerd weer een hot topic. Daarom presenteert SevenTwenty in twee delen een uitgebreide analyse van huidig Nederlands Kampioen Daniël Springer over jureren. Vandaag verschijnt een analyse over juryoverleg op deze site, en donderdag voltooien we dit artikel met het thema ‘reputatiejurering’.

Over het functioneren van jury’s

Vrijwel geen enkel onderwerp heeft zoveel aandacht getrokken in discussies over de debatsport als hoe om te gaan met de jurering van debatten. Amsterdammer Reinier de Adelhart Toorop (verder: Reinier) schreef enige tijd geleden een uitstekend stuk hierover in het maandblad van zijn vereniging. De vraag die hij vooral wenste te behandelen was: welk jureringssyteem zorgt voor de “beste” uitslagen.

De “beste uitslag”

Om maar te beginnen met een wellicht controversieel onderdeel uit het stuk van Reinier: bestaat er zoiets als “de juiste uitslag”? Nee, zegt Reinier, uiteindelijk is het jureren van een debat vaak een kwestie van persoonlijke smaak en daarmee samenhangende wegingsfactoren. Hoe belangrijk vind je in BP consistentie met de eerste helft? Is een extreem consistent filosofisch argument geweldig of praktisch onhoudbaar? Is een arrogante stijl overtuigend of hinderlijk? Allemaal vragen die per persoon zullen verschillen en die invloed hebben op de uitslag van een debat.

Ik ga dan ook zonder meer mee in Reinier’s redenering dat zeggen dat iemand “een goed jurylid is, omdat hij/zij de juiste uitslag had” vaak zal betekenen dat de spreker simpelweg op zoek is naar juryleden met gelijksoortige preferenties als hij/zij. Als we Reinier’s theorie accepteren, dan had deze persoon hooguit mogen zeggen: “zijn/haar onderbouwing van de uitslag was ondermaats”. Immers, Reinier’s stelling houdt niet in dat er geen kwalitatief verschil kan zijn tussen verschillende uitslagen, maar dat er verschillende kwalitatief gelijkwaardige uitslagen kunnen bestaan.

Wat mij betreft betekent bovenstaande niet dat er geen kwalitatief verschil kan bestaan tussen juryleden, zelfs als ze allemaal een zekere mate van expertise hebben. Als we accepteren dat parlementaire debatten (vooral) gejureerd moeten worden op inhoud, dan is een jurylid dat snel logische constructies kan ontrafelen en de onderlinge samenhang van argumenten correct en snel doorziet een goed jurylid. Tegelijkertijd hangt de validiteit van argumentatie vrijwel altijd samen met het impliciet accepteren van een aantal premissen (zoals: vrijheid is gaaf), waar ook redelijke juryleden over van mening kunnen verschillen.

We moeten daarom af van het idee dat er altijd één goede uitslag is in een debat en dat er bepaalde jurygoden/godinnen zijn die ons kunnen vertellen wat die uitslag is. Juist het meewegen van veel verschillende wegingsfactoren kan de jurering ten goede komen.

Stemmen of overleggen?

De belangrijkste vraag die behandeld moet worden als we kijken naar hoe we jury’s vormgeven om de kwalitatief best onderbouwde jurering te bereiken, is of de uitslag het aggregaat moet zijn van de individuele meningen van de juryleden (stemmen) of dat er à la juryrechtspraak een uitgebreid overleg en onderhandelingsproces aan vooraf hoort te gaan. Reiniers antwoord is helder: stemmen. Laten wij eens kijken naar de voor- en nadelen van beide vormen.

Informatie

De reden dat vaak wordt teruggegrepen naar groepsbesluitvorming is het idee dat “twee mensen meer zien dan één”. Laten we een heel simpel voorbeeld nemen om iets formeler naar deze stelling te kijken. Stel je voor dat we drie juryleden hebben. Tijdens een debat wordt een enorme hoeveelheid feiten en argumenten op je afgevuurd als jurylid, waardoor het vrijwel onmogelijk is dat je alle relevante informatie hebt meegekregen. Daarnaast kan het zijn dat jij privé informatie hebt over bijvoorbeeld de situatie in een bepaald gebied, waardoor jij argumenten beter kunt plaatsen of valideren dan andere juryleden.

Laten we dus aannemen dat elk van de drie juryleden een signaal ontvangt over wie het debat heeft gewonnen. Om zaken eenvoudig te houden nemen we aan dat de kans dat een bepaald signaal correct is 70% is. We hebben net gezien waarom het aannemelijk is dat juryleden niet allemaal hetzelfde signaal ontvangen, formeel: de correlatie tussen signalen is minder dan 1. Het is nu redelijk eenvoudig om te zien dat het combineren van de drie signalen altijd een hogere waarschijnlijkheid geeft dan 70% dat de “correcte” uitslag wordt gekozen (lees: best onderbouwde, meest logische uitslag). Zie de appendix voor formeel bewijs.

We lijken hier dus een duidelijk nadeel van Reiniers systeem te hebben ontdekt: door te stemmen zonder overleg verlies je immers de kans om als jury relevante “signalen” uit te wisselen om zo tot een kwalitatief betere jurering te komen! Hoe kan Reinier zoiets verschrikkelijks toestaan?!

Gelukkig zijn er goede redenen om te vermoeden dat het geschetste plaatje niet klopt. Zo blijkt uit onderzoek naar collectief brainstormen dat individueel ideeën genereren vele malen efficiënter is dan in groepsverband (zij bijv. Stroebe & Diehl, 1994). De verklaring daarvoor is ook relevant voor ons. Zodra je als jurylid aanneemt dat een ander jurylid écht goed oplet, dan ervaar je een verminderde persoonlijke verantwoordelijkheid om zelf zo scherp mogelijk te zijn tijdens het debat (in feite is dit free-riding). Dit zal vooral spelen bij juryleden die zichzelf als minder inschatten dan bijvoorbeeld de chair.

Een ander probleem dat optreedt in groepen is dat “unieke” informatie (dus: het deel van het signaal dat uniek is) vaak niet wordt gedeeld (Larson et al, 1998). Mogelijke verklaringen zijn sociale validering (als andere dezelfde informatie hebben moet het wel waar zijn) en de angst om negatief geëvalueerd te worden (bijvoorbeeld door een belangrijk ander jurylid). Daarnaast wordt juist in groepen informatie die ingaat tegen een initieel bereikte conclusie vaak niet meer genoemd (Frey et al., 1996). Groepsleden hechten vaak veel waarde aan een gevoel van eensgezindheid en hebben daarom de neiging informatie die tegen de groepsconclusie in gaat niet te noemen, om onenigheid te voorkomen.

In principe zou overleg er dus toe moeten leiden dat de kwaliteit van de jurering omhoog gaat. Er zijn echter bepaalde groepsprocessen die ertoe kunnen leiden dat dit voordeel wegvalt. Juist als er geen objectief criterium voor de “juiste” uitkomst is scoren groepen in onderzoeken consistent slechter dan het aggregaat van individuen (Tindale, 1993).

Het tweede en laatste deel verschijnt donderdag op SevenTwenty.

doorBionda Merckens

Vergeet Eloquentia. Het is tijd voor Argumental Dutch Edition

Sommige debaters kennen het al; sommige debaters staan op het punt om iets fantastisch te ontdekken op YouTube. Argumental. Wat is het en waarom moet er een Nederlandse versie komen?

Wat is het?

Argumental is een Brits tv-concept waarbij twee comedians samen met twee gasten debatteren over uiteenlopende onderwerpen onder leiding van een presentator met het publiek als jury.

In verschillende rondes moeten de debaters/comedians stellingen verdedigen en aanvallen, een speech improviseren aan de hand van getoonde foto’s, en U-bochten maken in hun speech als er een bel gaat. Het format van een debat is hier rechts schematisch weergegeven.

Vaste spreektijden zijn er niet, al duurt een individuele bijdrage zelden langer dan drie minuten. De tweede sprekers van ieder team maken meestal slechts één a twee korte opmerkingen. Er wordt gedebatteerd over een mengeling van serieuze en leuke onderwerpen: verdienen ouderen meer respect, ijsberen zijn het niet waard om gered te worden, Duitsland is beter dan Frankrijk enzovoort.

Om een impressie te geven van Argumental een paar links naar bijzonder grappige fragmenten:

Hoe verschilt een ‘Argumental’ debat van een ‘gewoon’ eloquentia-debat?

Veel.

Het eloquentia-format is een problematisch format. Daar waar het format tot doel heeft om welsprekendheid te belonen in plaats van doorwrochte argumentatie – en hiermee werd oorspronkelijk bedoeld welsprekendheid in de meest brede zin van het woord – is eloquentia in de praktijk vaak behoorlijk slechte comedy. In Amsterdam wordt sinds jaar en dag het officieuze “NK” eloquentia-toernooi georganiseerd als afsluiter van het debatseizoen. Maar gezien de problemen met het format is de vraag meer dan gerechtvaardigd waar de winnaar van dit toernooi nu precies in uitblinkt. Deelnemers blijven vaak behoorlijk strikt binnen de mores van het parlementair debat.

Dat betekent in de praktijk:

  • Vaste spreektijden 3-3-2 (voor stand-up comedy begrippen behoorlijk lange spreektijden)
  • 15 minuten voorbereidingstijd
  • Debaters die gebruik (blijven) maken van parlementaire spreekstructuur (‘’Ik ga het in deze speech hebben over drie punten..’’)
  • Debaters die behoorlijk blijven hangen in serieuze argumentatiemodus (is eloquentia nu wel of niet een format waarin deelnemers grappig moeten zijn?) en successtrategieën die werken in parlementaire debatten (‘’Maar laat ik eerst uitleggen hoe ik de stelling definieer…’’)

Argumental onderscheidt zich daarvan qua stijl:

  • Debaters in dit format kondigen zelden aan ‘’I’ve got ten jokes in this speech..’’
  • Debaters doen geen concessies of gebruiken definitietrucs; ‘commitment & determination’ staan op hun voorhoofd getatoeëerd.
  • Geen vaste spreektijden.

En Argumental onderscheidt zich daarvan qua aanpak:

  • De meeste optredens (behoudens de fotorondes en de U-bocht ronden) zijn aanzienlijk minder ‘stand-up’ dan het zich laat aanzien. Het publiek hoort het onderwerp weliswaar voor het eerst maar de sprekers in kwestie kennen hun positie en hebben een team van schrijvers achter zich staan.
  • Geen vaste spreektijden
  • Stellingen worden vaak niet ingestoken vanuit een soort ‘governing actor’ maar vanuit persoonlijke beleving. Geen gedebatteer dus over effectiviteit van beleid.

Waarom Argumental debatteren leuker is dan eloquentia

  1. Argumental is duidelijker in de verwachtingen die het publiek heeft van een debat.
  2. Er is geen – ik herhaal geen – reden om vast te houden aan (heel) strikte spreektijden in een format dat draait om comedy en welsprekendheid. Het equal arms-principe van gelijke spreektijden is bedacht voor het inhoudelijke debat waarbij inhoudelijke argumentatie centraal staat. Waarom sprekers die on fire zijn afbreken na drie minuten? Of debaters die door hun (sterke) materiaal heen zijn dwingen om hun spreektijd vol te maken?
  3. Het publiek beslist. Een publiek met duidelijke verwachtingen is de beste jury die er is.
  4. Verschillende formats benadrukken verschillende debat- of spreekvaardigheden. Argumental is echt anders dan parlementair debat zodat deelnemers ook echt anders te werk moeten gaan.
  5. Meedoen aan Argumental is waarschijnlijk gemakkelijker dan ‘pure’ stand-up comedy maar moelijker dan meedoen aan een eloquentia-debat.
  6. In veel steden is er een matig aanbod om jezelf te bekwamen in public speaking en comedy. Er zijn erg weinig comedyclubs in Nederland. Ze zijn of heel erg incrowd of ze leiden een zieltogend bestaan. Dit voegt echt wat toe.

Hoe moet zo’n Argumental Dutch Edition eruit zien?

Zou het niet leuk zijn om iets dergelijk in Nederland te organiseren? Er zijn verschillende mogelijkheden om een dergelijk evenement in te steken. Een Argumental kan beginnen als intermezzo binnen een bestaand evenement, of direct als een zelfstandig evenement. Het kan gecombineerd worden met een of meerdere comedy-workshops verzorgd door (bekende) comedians & debattrainers.

In dat laatste zie ik persoonlijk veel potentieel. Toegegeven: er is lef voor nodig, maar wie wil er nou niet een goed én grappig debater zijn?