Nieuws

doorBionda Merckens

De Leiden Mace 2011

Eens in de zoveel tijd duikt er, vaak gevolgd door veel discussie, een nieuw toernooi-initiatief op in de debatwereld. Waar de UCU Debating Union vorig jaar het eerste Iron Man toernooi organiseerde, kwam Leiden dit jaar met de Leiden Mace 2011.

In navolging van de Mace in Ierland, Engeland, Schotland en Wales zou dit toernooi een epische strijd tussen verenigingen worden, waarbij elke vereniging haar beste team mocht sturen. Daarnaast konden verenigingen teams opgeven voor wildcards. Op die manier zouden de beste 16 verenigingsteams van Nederland afreizen naar Leiden, gevolgd door fans, hooligans en spandoeken.

De Twenties

Om tien uur zou het spektakel in Leiden beginnen. Van tevoren was aangekondigd dat het feest in Roaring Twenties stijl zou zijn, en ‘s ochtends vroeg bleek al dat velen daar niet op hadden gewacht: van stijlvolle hoedjes tot wandelstokken en veren, van een sigaar tot een compleet kostuum met bretels en hoed van de CA Adriaan Andringa, vrijwel alle debaters hadden hun best gedaan.

Op wat organisatorische probleempjes na, die snel opgelost warden met behulp van een felblauw autootje en een naburig café, verliep de dag vlekkeloos. Het eten was goed en in overvloed aanwezig, de gesprekken gezellig, en het restaurant was prima.

De Debatten

Met drie voorrondes van 7 minuten zonder powerranking maar met random indeling, was dit toernooi al snel onderscheidend. Het CA-team nam aan dat de beste teams van de verenigingen die 7 minuten wel aankonden, en dat bleek ook zo te zijn. Sterker: veel debaters waardeerden het dat ze nu tijdens de voorrondes ook eens iets langer de tijd hadden om concepten als moraliteit, democratie en privacy eens grondig te analyseren: de extra twee minuten scheelden veel.

Dat het niveau hoog lag, en vrij dicht bij elkaar, bewezen de lengte van het juryoverleg en de tab. De top-5 sprekers staan allemaal binnen 1,5 sprekerspunt van elkaar (wat op een schaal van 0-100 per debat redelijk close is), en de beste sprekersprijs werd na een gelijke stand aan Sarie Muijs toegekend op basis van standaarddeviatie.

Ook was het erg spannend welke teams door zouden gaan naar de finale: de teams op plaats 3, 4, en 5 stonden allemaal slechts 1 sprekerspunt uit elkaar (en hadden een gelijk aantal teampunten). Het team op plaats zes had meer sprekerspunten dan alle drie die teams, maar kwam 1 teampunt tekort voor de finale.

De spanning zette door

De spannende dag zette zich voort in een spannende finale, waarin gedebatteerd werd over het toekennen van arrestatiebevoegdheden aan het ICC. Na afloop was ere en zeer lang juryberaad nodig om een winnaar aan te wijzen, wat voor de debaters in de finale nagelbijten was (en Tomas en ik ons zorgen maakten of dit de zoveelste finale op rij zou worden die we verloren). Vanuit het publiek waren verschillende geluiden te horen over wie er gewonnen had. Uiteindelijk bleek team UDS 2 bestaande uit Tomas Beerthuis en mijzelf dan nu toch aan het langste eind getrokken te hebben, tot onze grote opluchting!

Speciaal toernooi

Van tevoren was dit toernooi gepromoot als een special toernooi: thema, niet zomaar voor iedereen open en een echte strijd tussen de verenigingen. Daar waar het thema goed nageleefd werd, was het jammer dat er uiteindelijk slechts 12 teams aanwezig waren. Gelukkig maakte, vooral in de finale, het vrij grote publiek(of fans, hooligans) een hele hoop goed.

Dit jaar leek het toernooi nog steeds een strijd tussen teams te zijn, in plaats van tussen verenigingen. Juist in een tijd waar veel debaters gemakkelijker met debaters van andere verenigingen naar een toernooi gaan, waar grenzen tussen verenigingen langzaam vervagen, en alleen Bonaparte nog regelmatig haar verenigingsliederen zingt bij finales, zou het mooi zijn als dit initiatief volgend jaar voortgezet wordt. Als “ De Mace” langzamerhand een echt begrip wordt, zal er binnen verenigingen ook meer strijd gaan ontstaan om die ene zekere teamplaats. Dan kan in ieder geval een keer per jaar een ware strijd der verenigingen losbarsten. Gewoon, omdat het stiekem toch wel eens leuk is de Groningers in te wrijven dat ze eigenlijk in het buitenland wonen, de Amsterdammers dat ze bang zijn voor alle steden buiten hun eigen, de Utrechters dat het midden eigenlijk ook maar saai is, en de Rotterdammers dat ze alleen maar over economie kunnen praten. Een gezamenlijke vijand verbroedert immers, en wat is nou een mooiere manier om het jaar mee af te sluiten?

doorBionda Merckens

Vacatures: zet je in voor het bondsbestuur!

Wil jij je inzetten voor het wedstrijddebat in Nederland? Wil jij op strategisch niveau op zoek gaan naar oplossingen voor de debatwereld? Kun je vanuit een positie boven de partijen verschillende belangen goed bijeenbrengen? Overweeg dan eens om te solliciteren naar een bestuursfunctie bij de Nederlandse Debatbond.

Op dit moment heeft de Debatbond twee vacatures voor bestuursfuncties met ingang van september/oktober 2011.

Functieomschrijvingen

Om een beter idee te geven van wat de functies inhouden, staan hieronder omschrijvingen van de openstaande functies. Naast de taken die onder een specifieke functie vallen, kan het bestuur onderling afspraken maken over de verdeling van de overige taken.

Het bestuur komt maandelijks bijeen. Gemiddeld is een bestuurslid 6-8 uur per week bezig met werk voor de Debatbond.

Penningmeester

De penningmeester beheert de financiën van de Nederlandse Debatbond. Dit omvat het beheren van de rekening en het uitvoeren van transacties. Verder is de penningmeester verantwoordelijk voor het opmaken van de begroting voorafgaand aan een nieuw boekjaar en het financieel jaarverslag na afloop. Verder onderhoudt de penningmeester het contact met de financiële adviescommissie.

Naast zijn financiële taken is de penningmeester verantwoordelijk voor toezicht op de naleving van de statuten, reglementen en andere regelgeving. Ten slotte is de penningmeester de beheerder van het archief, in zoverre de secretaris de stukken opstelt.

Algemeen bestuurslid (alumni & evenementen)

Dit algemeen bestuurslid houdt zich bezig met alumnibeleid en evenementen van de Debatbond. Daaronder vallen de netwerkborrels. Verder is dit bestuurslid verantwoordelijk voor het contact met alumni en organiseert hij een jaarlijkse activiteit voor deze doelgroep. Daarnaast is deze persoon verantwoordelijk voor het (doen) organiseren van de Masters en het beheren van de Nederlandstalige Debatranglijst. Verder is een algemene bestuursfunctie een op maat gesneden functie en staan we open voor verdere ideeën om invulling te geven aan deze functie.

Functie-eisen

Uiteraard draag je het wedstrijddebat een warm hart toe. Je kunt boven de partijen staan, zelfstandig werken en samenwerken in teamverband gaat je goed af. Je hebt visie, ideeën en plannen over hoe de Debatbond beter zou kunnen worden. Diversiteit (o.a. qua verenigingslidmaatschap) en bestuurservaring bij een debatvereniging zijn een pre.

Verder zijn er een aantal formele vereisten:

  • Je bent minimaal een jaar lid van de Nederlandse Debatbond en bent meerderjarig (art. 8.2 Statuten).
  • Je hebt geen bestuursfunctie bij een debatvereniging of debatorganisatie ten tijde van de benoeming in het najaar (art. 8.10 Statuten).

Procedure

Stuur vóór vrijdag 14 juli 2011 je c.v. met korte toelichting van je motivatie naar secretaris@debatbond.nl. Je wordt dan uitgenodigd om met het bondsbestuur te komen praten. Vervolgens beslist het bondsbestuur in augustus wie zij voordraagt voor welke functie. Tijdens de bondsraad van eind september/begin oktober wordt de voordracht door de bondsraad behandeld.

Mocht je nog niet zeker weten of het bestuur bij jou past of gewoon meer informatie willen, dan kun je vrijblijvend in contact komen met een bestuurslid die daar graag met je over praat. Ook dan kun je een mailtje sturen naar secretaris@debatbond.nl met het verzoek teruggebeld te worden.

doorBionda Merckens

The case against case files

De afgelopen twee weken zijn er op SevenTwenty twee artikelen verschenen die pleiten voor het gebruik van case files bij debatten. Allereerst wees Rooj Darweesh op het nut van tijdsbesparing bij het voorbereiden van debatten en legde hij vooral focus op de voordelen die case files kunnen hebben voor beginnende debaters. In het volgende artikel voegde Eric Stam nog een argument toe: dat het geen oneerlijke voorsprong geeft aan debaters die case files gebruiken, omdat het iedereen vrij staat een case file te maken.
Er zijn echter een aantal bezwaren te bedenken op het verschijnsel van case files, die in dit artikel aan bod komen. Het doel van dit artikel is dus om even stil te staan bij mogelijke nadelen voor de debatsport als geheel wanneer case files massaal gebruikt gaan worden.

Case files als verplichting

Wanneer we de lijn van Rooj en Eric volgen dat case files inderdaad grote voordelen bieden aan debaters, dan mogen we er van uit gaan case files in de toekomst vaker gebruikt gaan worden. Het probleem hiervan is dat dit de debatsport als geheel minder aantrekkelijk zal maken voor eventuele geïnteresseerden. Een te sterke toename van het gebruik van case files zal tot gevolg hebben dat men op toernooien steeds meer zal gaan merken dat mensen die gebruik maken van case files beter presteren dan mensen die dat niet doen. Daardoor zal er voor mensen die nog geen case files gebruiken en die wel in de top mee willen draaien een soort drang gevoeld worden om ook gebruik te gaan maken van case files. Het probleem hier van is echter dat lang niet iedereen tijd heeft om zulke case files aan te leggen, en ook heel veel mensen die moeite niet willen nemen.
Wanneer de debatsport zichzelf in een situatie manoeuvreert waarin het min of meer een verplichting lijkt om als debater een case file aan te leggen zal de sport minder aantrekkelijk worden om aan te beginnen. Veel geïnteresseerden haken tijdens open avonden van verenigingen al af omdat het er uit ziet alsof het allemaal wel heel veel werk is, dat debatteren. Je moet een zekere parate kennis hebben, je moet deelnemen aan toernooien, vaak jureren, en vooral heel erg veel oefenen om goed te worden, zo wordt beginners vaak voor gehouden. En dat is natuurlijk ook waar. Wanneer je daar ook nog het aanleggen van een grote case file aan toevoegt zullen minder mensen geneigd zijn te starten met debatteren.

Pronken met andermans veren

Rooj en Eric gaan in hun artikelen vrijwel alleen uit van mensen die hun eigen case files maken. Wanneer er echter een situatie ontstaat waarin het creëren van case files als een verplichting voelt, zullen er mensen zijn die niet de tijd en moeite kunnen of willen steken in het ontwikkelen van een case file, maar die toch gebruik willen maken van de voordelen. Hier kan het gebeuren dat mensen gebruik gaan maken van de case files van anderen: iets dat nu ook al gebeurt, zij het niet op grote schaal. Hiermee werk je twee negatieve effecten in de hand: debaters denken niet meer zelf na over ideeën maar geven simpelweg de ideeën van andere debaters weer, en alle debatten gaan op elkaar lijken als iedereen vergelijkbare case files gaat gebruiken. Debatteren wordt meer voorspelbaar, en daarmee ook minder interessant.

De charme van debatteren

Iets dat veel mensen aanspreekt aan debatteren is het idee dat debaters de arena betreden met slechts hun parate kennis en hun eigen vermogen om logisch te redeneren. Vanuit die gedachte is debatteren echt een strijd tussen geesten, een ware denksport. Een denksport als schaken heeft een soortgelijke charme: een krachtmeting tussen geesten, die met niets dan hun inzicht en hun ervaring elkaar proberen te verslaan. Wanneer case files massaal gebruikt gaan worden verdwijnt ook een deel van deze charme: in plaats van een zuivere strijd tussen geesten wordt er iets anders meegenomen: het resultaat van eerdere debatten, uitgewerkt in een case file. Hiermee verdwijnt iets van de puurheid van debatteren, net zoals er iets van de puurheid van het schaken zou verdwijnen als topschakers allemaal met een hele bibliotheek aan schaakboeken en uitwerkingen van al hun eerder gespeelde partijen naar een schaakwedstrijd zouden komen.

doorBionda Merckens

Live Update Leiden Mace

Vanuit Leiden is vandaag de Mace: een zinderende strijd tussen de debatverenigingen van Nederland. Wij updaten vandaag via deze post en Twitter over de gebeurtenissen op en rondom dit 20s-feest! Houdt ons goed in de gaten!

10.28: We verwelkomen de debaters búiten het Kamerlingh Ohnes Gebouw, want de conciërge is te laat. CA Adriaan Andringa – stijlvol gekleed in thema, inclusief sigaar en moonshine – leidt de debaters naar een kroeg om de dag stijlvol te beginnen. Om 11.00 uur vangt het toernooi aan! Hopelijk ook met alle teams; één Bonapartiaan heeft de weg naar Leiden nog niet kunnen vinden.

11.00 En we zijn begonnen! Alle teams zijn gelukkig om 11 uur ter plaatse voor het eerste debat van vandaag. De stelling voor ronde 1 luidt: Deze Kamer legt geen beperkingen op aan bedrijven of particulieren omtrent politieke donaties.

12.55: Na een snelle lunch gaan we door met ronde 2: Deze Kamer eist toegang tot alle datagegevens van alle Nederlanders.

14.45: Na een leuke tweede ronde te hebben gezien, over Orwelliaanse overheden, webcamseks en de uitroep dat niets op het internet privé is (ook dit blog uiteraard niet), gaan we over tot de derde en beslissende ronde. Alle debatten zijn zonder feedback gehouden, dus de spanning is slopend. Om 19.00 word de finale gehouden op het SSR: ben je in de buurt, kom vooral langs!
Stelling voor ronde 3: Deze Kamer vindt een hoog ontwikkelingsbudget een morele plicht.

1:54: Na een lange trektocht door het Leidsche avondland, zijn we weer in bereikbare gebieden. De finale, over de stelling “Deze Kamer vindt dat het Internationaal Strafhof misdadigers moet terechtstellen van landen die het Hof niet erkennen”, werd vanuit tweede propositie gewonnen door Tomas Beerthuis en onze eigen hoofdredacteur Danique van Koppenhagen (UDS). Verder in de finale stonden Sarie Muijs en Alies Uilen (Bonaparte, 1e propositie), Floor de Koning en Jeroen Dokter (eerste oppositie) en Luciën de Bruin en Abo al Jaberi (EDS).

Het niveau lag zeer dicht bij elkaar: het vijfde team op de tab eindigde op slechts één sprekerspunt minder dan de nummer vier. Ook de beste sprekersprijs moest met een minieme standaarddeviatie berekend worden: uiteindelijk ging Sarie Muijs ten koste van Danique van Koppenhagen er met deze prijs vandoor.

Het feest, in een zompig SSR-hol had de grauwe sfeer van de jaren ’20, inclusief haperende muziekinstallatie en goedkope drank.

Zondag

Op een verjaardag, ergens in een container in Den Haag, heeft de redactie de tab van de organisatie in handen gedrukt gekregen. Deze staat hieronder:

Teamtab

Rank Teams Spreker 1 Spreker 2 R 1 R 2 R 3 Totaal Totaal sprekerspunten
1 Bonaparte 2 Sarie Muijs Alies Uilen 3 3 2 8 469
2 EDS 2 Abulhassan al-Jaberi Luciën de Bruin 3 1 3 7 467
3 UDS 2 Danique van Koppenhagen Tomas Beerthuis 1 2 3 6 468
4 GDS Kalliope Floor de Koning Jeroen Dokter 2 2 2 6 467
5 EDS 1 Lars Duursma Jeroen Heun 3 1 2 6 466
6 LDU 1 Thom Wetzer Wieger Kop 1 3 1 5 469
7 LDU 2 Ali al Khatib Fleur Praal 2 2 1 5 467
8 UDS 1 Heleen van ’t Spijker Sander Kupers 1 3 0 4 452
9 Bonaparte 1 Jeanette Gelauff Anne Valkering 0 1 3 4 451
10 DSDC Menno Schellekens Azer Aras 2 0 0 2 442
11 SocRAtes Bas Tönissen Jair van de Stelt 0 0 1 1 440
12 Cicero Daniël Setzpfand Jordy van Lith 0 0 0 0 416

Sprekertab

Rank Spreker R 1 R 2 R 3 Totaal Gem. Standaard-deviatie
1 Sarie Muijs 81 80 78 239 79,7 1,527525232
2 Danique van Koppenhagen 77 81 81 239 79,7 2,309401077
3 Floor de Koning 77 78 82 237 79 2,645751311
4 Wieger Kop 78 81 77 236 78,7 2,081665999
5 Luciën de Bruin 80 75 80 235 78,3 2,886751346
5 Jeroen Heun 79 76 80 235 78,3 2,081665999
7 Ali al Khatib 78 79 77 234 78 1
8 Thom Wetzer 74 83 76 233 77,7 4,725815626
9 Fleur Praal 80 75 78 233 77,7 2,516611478
10 Abulhassan al-Jaberi 76 76 80 232 77,3 2,309401077
10 Alies Uilen 80 76 76 232 77,3 2,309401077
12 Lars Duursma 80 76 75 231 77 2,645751311
13 Jeroen Dokter 76 77 77 230 76,7 0,577350269
13 Anne Valkering 74 77 79 230 76,7 2,516611478
13 Sander Kupers 76 79 75 230 76,7 2,081665999
16 Tomas Beerthuis 75 79 75 229 76,3 2,309401077
17 Bas Tönissen 76 74 75 225 75 1
18 Menno Schellekens 75 74 73 222 74 1
19 Heleen van ’t Spijker 73 77 72 222 74 2,645751311
20 Jeanette Gelauff 71 74 76 221 73,7 2,516611478
21 Azer Aras 76 74 70 220 73,3 3,055050463
22 Jaïr van der Stelt 69 74 72 215 71,7 2,516611478
23 Daniël Setzpfand 71 68 70 209 69,7 1,527525232
24 Jordy van Lith 69 70 68 207 69 1
doorBionda Merckens

Wat is waar?

Roel Becker, een vierdeklasser op het Stedelijk Gymnasium Nijmegen die actief is binnen hun debatclub Spatha Rhetoricae,  vraagt zich af hoe waarheid in het debat gezien moet worden, en of CA-teams de “waarheid” niet vaker vantevoren vast moeten stellen.

De manier waarop de analyse van een ingewikkeld argument gebracht moet worden is redelijk simpel: je begint met een axioma, een algemeen aanvaarde stelling, en gaat vervolgens in logische denkstappen naar de conclusie, die in het voordeel van je case werkt. Aangezien het doorsnee publiek van SevenTwenty volgens mij zeer goed in staat is zijn of haar argument op een fatsoenlijke manier uit te leggen, zal ik daar verder geen woorden aan wijden. In dit stuk zal ik echter wel bespreken hoe ver je terug moet analyseren voordat je daadwerkelijk bij een axioma uitkomt, met andere woorden: voordat je een claim niet langer hoeft te verantwoorden, en het probleem dat er op dit moment in de status quo is met de kwestie. Daarna zal ik drie mogelijke oplossingen geven.

Het is immoreel!
In de afgelopen finale van Op weg naar het Lagerhuis kwam er tijdens een niet bijster inspirerend debat over het gebruik van invalidenkarretjes door jongeren de claim voorbij dat het immoreel was om als niet-gehandicapte in zo’n karretje te rijden. Het bleef hier bij een claim, maar kennelijk was dit genoeg voor de finalejury van OWNHL, deze jongen won namelijk mede door dit ‘argument’ het debat. In een parlementair debat is dit natuurlijk ondenkbaar, je kunt er nooit van uitgaan dat de gemiddelde kwaliteitskrantenlezer die elk debat jureert ook vindt iets zomaar immoreel is, sterker nog: in sommige gevallen win je een debat puur door uit te leggen waarom iets immoreel is.

Democratieën zijn toch gewoon goed?

In één van mijn eerste debatten, op het afgelopen DTU over de een stuk inspirerender stelling: Deze Kamer biedt Turkije en Egypte lidmaatschap aan van de EEG als beloning voor verregaande democratische hervormingen was ik erg verbaasd toen de tweede propostie tweede werd in het debat door simpelweg uit te leggen waarom een democratie de beste staatsvorm is. Voor mij, als niet-debater, had dit altijd vastgestaan.

Probleem binnen jury’s
In de status-quo wordt dus over het algemeen aan een jury overgelaten te bepalen wat als axioma aangemerkt mag worden, en welke claims onderbouwd moeten worden. Het spreekt uiteraard voor zich dat dit zeer belangrijk is in de uitslag. Als de chair van het debat uit mijn tweede voorbeeld het ook vanzelfsprekend vond dat democratie de beste staatsvorm is, is de extensie van de tweede propositie totaal irrelevant en verliezen zij het debat. Als je echter stelt dat dit wel degelijk relevant is, zou je deze lijn eigenlijk dus moeten doortrekken, en zeggen dat de eerste propositie zeer relevant materiaal heeft gemist, en dus het debat in principe zou moeten verliezen.

Hetzelfde geldt voor debatten waar de teams een bepaalde aanname doen. Een voorbeeld hiervan is een debat over milieu. Warmt CO2 de aarde nou wel of niet op? De gemiddelde wetenschapper is er nog niet uit, laat staan de kwaliteitskrantenlezer.

Aangezien ik me goed kan voorstellen dat meningen van juryleden hierover dus ook verschillen lijkt er wel degelijk sprake te zijn van een probleem.

Probleem tussen debaters
Een ander probleem kan zijn dat debaters van mening verschillen over wat voor waar aangenomen mag worden; als de eerste propositie in het DTU-debat er ook van uitging dat een democratie gewoon de beste staatsvorm is, hebben zij ronduit pech, terwijl mij dit toch, zeker voor minder ervaren debaters, geen hele rare zienswijze lijkt. Ook de uitspraak: ‘dan onderbouw je maar alles’ lijkt onzin, dan zou namelijk de eerste spreker van de propositie zijn hele speech kwijt zijn aan uitleggen dat het debat plaatsvindt, en dat elke term die in het debat gebruikt word ook daadwerkelijk bestaat: zonder axioma wordt het lastig argumenten brengen.

Naar mijn mening zijn er voor het probleem dat er zowel tussen debaters als juryleden, en debaters onderling verschillen kunnen bestaan over wat een axioma is drie mogelijke oplossingen.

Oplossing 1: het overlaten aan de juryleden (de status quo)

In het geval van deze oplossing laat je de jury bepalen wat een gemiddelde krantenlezer nog als ‘waar’ aan zou nemen, en ga je ervan uit dat debaters dit goed kunnen inschatten, onderling overeenstemming bereiken, en dat de jury het er uiteraard ook binnen verschillende kamers over eens is wat een axioma is, mij lijkt dit ronduit irreëel.

Oplossing 2: het overlaten aan de debaters

Deze oplossing wordt volgens mij onbewust ook nog wel eens toegepast, en kan volgens mij zeker ook werken: je gaat ervan uit dat alles dat niet door de tegenstander succesvol is aangevochten en onderuitgehaald waar is, en debaters doen hetzelfde. Je kan dit ook vastleggen in juryvoorschriften, dit lijkt een fijne oplossing maar kan, zeker in een BP-debat problemen opleveren:

Bij bijvoorbeeld de stelling: Deze Kamer bestraft iedereen die op enigerlei wijze medeplichtig is aan genocide is het helemaal niet gek als de eerste propositie er vanuit gaat dat genocide slecht is, het is zelfs zo dat ‘genocide is slecht’ als squirrel wordt benoemd. De eerste oppositie zou hier dus zomaar in mee kunnen gaan. Als nou echter de tweede oppositie aanvecht dat genocide slecht is, gebeuren er twee negatieve dingen: allereerst heeft de eerste propositie geen eerlijke kans zijn eigen claims uit te leggen, ervan uitgaande dat dit niet in één POI te doen is. Ten tweede moet de tweede propositie dan misschien als weerlegging een claim gaan uitleggen die totaal niet relevant is voor hun case. Hierdoor zijn zij dus eigenlijk tijd kwijt aan het verdedigen van een argument van hun concurrent.

Deze oplossing lijkt mij dus ook niet geheel ideaal. Verder is er natuurlijk het risico dat het hele debat gaat over de rechtvaardigheid van één claim, het lijkt mij ook niet al te leuk om in zo’n kamer terecht te komen.

Oplossing 3: het overlaten aan het CA-team

Deze oplossing is behoorlijk revolutionair, maar wat mij betreft redelijk simpel, en een goede oplossing voor de problemen. Naast de infosheets die je nog wel eens achter stellingen ziet, kan je onder elke stelling een lijstje maken van dingen die verplicht aangenomen moeten worden.

In bijvoorbeeld het debat over de stelling: This House Would use war to spread democracy (Oxford Schools) kunnen bijvoorbeeld twee aannames verplicht worden gesteld: democratie is goed, en oorlog is slecht. Dat zal geen negatieve invloed op het debat hebben, terwijl het wel een aantal mogelijke problemen ondervangt.

Verder geeft dit plan het CA-team meer mogelijkheden, zo kan je bijvoorbeeld dingen verplicht gaan stellen die absoluut niet echt het geval hoeven te zijn. In bijvoorbeel het debat over de stelling: This House Would allow women to carry Self-Defence Accessories (finale Dutch Schools) kan je bijvoorbeeld verplicht stellen aan te nemen dat vrouwen per definitie fysiek zwakker zijn dan mannen, om een flauw oppositielijntje weg te halen. Door deze maatregel zijn zelfs scenariostellingen op een hele simpele manier mogelijk, door aannames verplicht te stellen als: ‘Deze Kamer is iemand die op een brug staat.’
Op deze manier kan je natuurlijk ook beginnende teams op bijvoorbeeld scholierentoernooien behoeden voor een veel te moeilijk verdedigbare definitie, of de hele kamer voor een squirrel door een fout opgezet debat.

Al met al denk ik dus dat er wel degelijk een probleem is in de status quo, en dat de derde oplossing dit voor een groot deel ondervangt. Ik hoop hiermee de discussie aan te zwengelen.

doorBionda Merckens

The case for case-files II

Eric Stam reageert op Rooj’ artikel over case files.

WSDC-coach Rooj Darweesh heeft vrijwel altijd goede tips paraat om enthousiaste beginnende debaters te helpen in hun ontwikkeling. In zijn artikel The case for case-files vorige week op SevenTwenty raadt hij beginnende debaters aan om een case-file bij te houden om een competetief voordeel te verkrijgen ten opzichte van andere deelnemers in het veld. Een goed maar ook een overbodig advies.  Het staat iedereen vrij om case-files aan te leggen, en het is niet moeilijk om in te zien hoe een denk- en kennisvoorsprong ten opzichte van andere teams behulpzaam kan zijn bijhet voeren van een debat. Maar hoe krijg je beginnende debaters zo ver om daadwerkelijk case-files aan te gaan leggen?

Heiligschennis

Ik heb eerder wel eens het voorstel gedaan om per toernooi één stelling vooraf bekend te maken, oftewel ‘pre-releasen’. Dit levert vaak goede resultaten op, maar er is in Nederland veel weerstand tegenover het concept. Jeroen Heun, chief adjudicator van het Nederlands Kampioenschap eerder dit jaar, vindt pre-releasen bijvoorbeeld ‘in strijd met de essentie van het wedstrijddebat’. Blijkbaar is debatteren niet ‘echt’ als het niet altijd op precies dezelfde manier, met hetzelfde format, dezelfde spreektijd en dezelfde voorbereidingstijd wordt georganiseerd. Daarvan afwijken lijkt wel een vorm van heiligschennis.

Dat klinkt natuurlijk een beetje dogmatisch, en dat is het ook. Wie beweert dat een wedstrijdje schaatsen over 500 meter ingaat tegen de essentie van 1000 meter schaatsen, heeft een punt. Wie beweert dat 500 meter schaatsen geen schaatsen is, omdat schaatsen nu eenmaal over 1000 meter behoort te gaan, is niet goed bij z’n hoofd.

Het bouwen van case-files is een advies die een debattrainer aan scholieren (bijna) nooit hoeft te geven: typische ‘’scholierentoernooien’’ werken altijd met stellingen die ruim van tevoren zijn aangekondigd. Dus scholierenteams die echt willen winnen, bereiden zich vaak verschrikkelijk goed voor. Wat dat betreft hebben (voormalige) scholieren met debatervaring vaak al een voorsprong op mensen die pas tijdens hun studie met debatteren in aanraking komen: ze hebben meer argumenten, feiten en frames paraat.

Opgebouwde denkvoorsprong

Dat geldt niet alleen voor debaters uit het scholierencircuit. Ook in het studentencircuit leggen veel succesvolle teams op de een of andere manier casefiles aan. Die teams onderkennen m.a.w. het nut van een opgebouwde denk- en kennisvoorsprong.

Dit brengt me bij een belangrijk punt: als case-files al zoveel gebruikt worden, en vrijwel alle succesvolle teams het nut van een opgebouwde denk- en kennisvoorsprong onderkennen, wat maakt dan dat een langere voorbereidingstijd ‘in strijd is met de essentie van het wedstrijddebat’? Het opbouwen van een denk- en kennisvoorsprong is niets anders dan een extentie van de normale voorbereidingstijd.

Gelijke kansen

Daarom heeft het ook geen zin om voor of tegen case-files te zijn: het staat iedereen immers vrij om case-files aan te leggen. Tegenstanders kunnen zich zorgen maken over de vraag of debaters aan creativiteit inboeten als ze veel met case-files werken. Voorstanders kunnen proberen om die vrees te logenstraffen. Kennis kan zeker een handicap zijn (de beruchte ‘vloek der kennis’) maar dat is een bezwaar waar teams die werken met case-files zelf mee moeten zullen omgaan. Uiteindelijk gaat het erom hoe teams het doen in de debatten, en is het de jury die beslist.

Maar als we wedstrijddebatten toegankelijker willen maken, is het pre-releasen van één of enkele stellingen per toernooi geen gek idee. Beginners hebben dan in ieder geval in die rondes een reele kans om op basis van een gelijkwaardig kennisniveau het debat aan te gaan met teams die al jarenlang case-files bijhouden over uiteenlopende onderwerpen varierend van interne conflicten in Zuid-Ossetie tot en met gemeentelijke belastinghervormingen. Het zorgt voor meer aansluiting bij het scholierencircuit en verkleint ook de overgang van circuits zoals MUN. Mijn voorspelling is dat het de kwaliteit van argumenten  in debatten zeker niet zal schaden: waarom zouden we ons nooit langer dan 15 minuten permitteren om na te denken over de meest nijpende problemen waar de wereld mee kampt?

doorBionda Merckens

The case for case files

Enthousiaste beginners houden zich vaak bezig met de vraag hoe ze beter kunnen worden in debatteren. Ze zijn wekelijks te vinden bij hun vereniging, lopen alle toernooien af en wonen iedere specialistische sessie bij. Debatteren wordt al gauw een uit de hand gelopen hobby, waar de ambitieuze beginner iedere week veel tijd aan kwijt is. Meestal sorteert dit harde werk, in combinatie met talent, uiteindelijk het beoogde resultaat. Toch zien veel debaters een makkelijke kans over het hoofd: case files. Dit zijn uitwerkingen van stellingen die zij zelf hebben opgesteld, die vóór en tijdens ieder debat geraadpleegd kunnen worden. Door een verzamelmap bij te houden met deze documenten hoeft de debater het wiel niet telkens opnieuw uit te vinden. Ook helpen case files om feedback van juryleden overzichtelijk te structureren en om weerlegging te anticiperen.

De basis

Case files kunnen gebruikt worden om stellingen over standaardonderwerpen, zoals bijvoorbeeld paternalisme, bij te houden. Ze vormen de basis van waaruit de debater kan argumenteren. Na ieder (moeilijk) debat kan de debater de stukken uitschrijven, waarin hij de opmerkingen van alle teams en de jury meeneemt. Tijdens de voorbereiding op een ander debat kan de debater daar vervolgens relevante passages uitpikken. Dit bespaart tijd in het uitschrijven van denkstappen van complexe analyses, wat dikwijls minuten afsnoept van de voorbereidingstijd. Zodoende houdt de debater meer tijd over voor strategische keuzes, zoals de framing van het debat of welke argumenten hij het eerst introduceert. Daarnaast is het handig om de files regelmatig bij te houden. Dat maakt het gemakkelijker om een analyse in toegepaste vorm te gebruiken. Een lijst met case files neemt toe naarmate de debater meer ervaring opdoet en kan uiteindelijk een groot aanbod van onderwerpen behelzen. Soms is het zelfs mogelijk om inhoud letterlijk te kopiëren, aangezien veel stellingen sterk op elkaar lijken.

Tijd besparen

Een boel debaters gelooft niet zo in case files. Toegegeven, veel van de beste debaters nemen niet meer dan pen en papier mee naar een debat. Zij lepelen analyses gemakkelijk op en doen daarbij geen beroep op een debatmap. Maar vergeet niet dat het meestal jaren geduurd heeft voordat ze hun analyses konden toepassen. Het korte kwartier aan prep time eist van iedere debater dat hij zijn tijd zo efficiënt mogelijk indeelt. Dat is voor iemand met pakweg vijf jaar ervaring makkelijker dan voor een beginner. Want ook al begrijpt de beginner het onderwerp evengoed, dan kost het hem alsnog extra tijd om de exacte denkstapjes eerst op zijn blaadje uit te werken. In dergelijke gevallen vergemakkelijkt een case file over bijvoorbeeld het legaliseren van hard drugs de voorbereiding en geeft het hem een competitief voordeel ten opzicht van andere debaters.

Bezwaren

Er zijn wel zaken waar debaters rekening mee moeten houden bij het gebruik van uitgewerkte stellingen. Soms maken ze de debater minder flexibel. Wanneer een debater veel tijd heeft besteed aan het uitschrijven van een interessante case, wil hij die kennis ook graag gebruiken. Ook wanneer de eerdere interpretatie van de stelling dat niet toelaat. Vooral in het Brits-Parlementaire debat, waarin de tweede helft consistent moet blijven aan de eerste helft levert dit nog wel eens problemen op. Het is in dan nadelig dat de debater vóór het debat al een té sterk idee had van waar het debat heen moest gaan. Maar ook wanneer het materiaal juist consistent is met de eerst helft kan het problematisch zijn. Zo kan de eerste helft een argument net iets anders presenteren dan de tweede helft van plan was, wat de tweede helft ertoe beweegt om het argument van voor af aan te brengen. Dat kost tijd en is vaak onnodig. Toch zijn deze problemen niet onoverkomelijk. Met slechts een beetje ervaring kan een debater leren de juiste dosis van zijn eerdere ideeën aan te brengen en bovendien zijn de files hoe dan ook sterke voordelen als de debater zich in zwakkere kamers bevindt, waar het framework van de eerste helft zwak geweest is.

Een goed begin is het halve werk

Case files zijn zeker niet de oplossing van elk debatprobleem. Ze plaatsen beginners niet plots in finales. De kwaliteit van het debat hangt af van de kwaliteit van de geschreven stukken en dus van de debater zelf. Belangrijker nog is dat de debater flexibel en scherp reageert in het debat. Maar het nut van de documenten is ook niet om de beginner spontaan tot topdebater te verheven. Het nut is om tijd te besparen en de beginner te helpen bij analyses die hij eerder begrepen, maar nu niet precies kan herhalen. Daarmee behoort een goede debatmap, net als pen en papier, tot een belangrijk onderdeel van de voorbereiding.

doorBionda Merckens

Duelleren tot de dood

Eens in de zoveel tijd nemen we bij SevenTwenty een spraakmakende stelling onder de loep. Vandaag: “Deze Kamer staat duelleren tot de dood toe”.

Kort door de bocht gezegd is de enige reden dat overheden bepaalde zaken verbieden en andere zaken toestaan, dat overheden mensen de kans willen geven om zo gelukkig mogelijk te leven. En om dat doel te bereiken moeten mensen keuzes maken over activiteiten die ze willen ondernemen, producten die ze willen kopen en over relaties die ze willen aangaan die hun geluk kan vergroten. Mensen maken daarin altijd verschillende keuzes: de één zijn droomvakantie is een stedentrip naar Praag, Wenen of Rome, de ander duikt het liefst de oerbossen van Noorwegen in, weer een derde blijft liever thuis om in de tuin bezig te zijn. En als we accepteren dat veel mensen heel veel verschillende concepties van ‘geluk’ hebben, dan moet de overheid inzien dat ze mensen heel veel vrijheid moet kunnen geven om hun ideeën over geluk na te kunnen streven. Achter deze filosofie gaat de prikkelende, provocatieve stelling schuil dat het misschien beter is om duels tot de dood toe te staan.

Voorstanders

Als voorstander wil je deze stelling, ten eerste, redelijk afbakenen: natuurlijk mag je niet zomaar beginnen met schieten in een volle winkelstraat; wanneer je duels tot de dood toestaat dan zul je daar speciale plaatsen voor moeten aanwijzen, en mensen de verplichting kunnen geven tot het inschrijven in een register over deze duels. Dit is logisch, omdat mensen niet zomaar opeens gaan besluiten om te duelleren tot de dood: dit is een besluit dat komt na een hele grote twist, of omdat er hele grote consequenties aan dit duel verbonden kunnen zijn. Niet voor niets is het maar acht keer voorgekomen dat er in Nederland zo’n duel wettelijk bestraft is: niet veel mensen hebben het idee dat elkaar proberen dood te schieten een goede manier is om een conflict op te lossen. Degene die dit wél doen, hebben hier over nagedacht en weloverwogen deze beslissing genomen, omdat de consequenties vaak, bij winst zowel als verlies, heel groot kunnen zijn.

Maar als het om zo’n kleine groep gaat, waarom is deze stelling dan belangrijk om over te debatteren?  Nou, die zestien mensen die ooit zo’n duel zijn aangedaan, deden dat omdat zij daar een hele belangrijke reden voor hadden, die hun leven ging domineren. Stel je de situatie voor dat je, samen met een ander, strijdt om de hand van een geliefde. En zij zou een duel tot de dood willen voorstellen om de strijd te beslechten. Het kan zijn dat je zó ontzettend van haar houdt, dat je je niet kan voorstellen om zonder haar verder te moeten gaan: dan nog liever dood! En dat is dan precies de optie die je hier geeft. Soms vinden mensen het niet meer waard om te leven als dat leven hen niet bepaalde opties geeft die zij willen hebben. En daarom zijn zij bereid om een duel aan te gaan, als dat het laatste middel is voor hen om deze keuze veilig te stellen. En om dezelfde reden dat wij nu inzien dat als iemand van pijn ligt te creperen op zijn ziekbed, deze persoon liever sterft dan door te moeten blijven leven zonder de optie van een gezond bestaan, moeten wij als overheid inzien dat sommige mensen het als keuze hebben om te duelleren voor iets dat hun laatste strohalm naar een gelukkig leven is.

Tegenstanders

Mensen zijn helemaal niet zo verantwoordelijk, zullen tegenstanders zeggen. Ze maken vaak hele domme fouten, die nadelig voor ze uit kunnen pakken. De reden dat wij in veel gevallen mensen dan tóch de vrije keuze geven, om bijvoorbeeld een slechte investering te begaan, is omdat er de mogelijkheid is om je fout goed te maken. En dat is nu niet iets wat bij een duel tot de dood niet mogelijk is. Want als je hier te laat de trekker over haalt, ben je dood, en is er geen tweede kans meer. Dat zou al reden moeten zijn om te verbieden.

Maar de voorstanders hadden gezegd dat sommige mensen die dood inderdaad wensen als zij niet krijgen wat het duel hen had kunnen opleveren. Dus dan is het toch een legitieme keuze van de mensen die zo’n duel aangaan? Deze argumentatielijn gaat uit van het idee dat mensen inderdaad een weloverwogen en verstandige keuze hebben gemaakt om mee te doen aan zo’n duel, en dat mensen de consequenties van hun daden kunnen overzien. Ook daar zijn problemen mee, om een paar redenen:

Ten eerste schatten mensen hun kansen op geluk vaak te optimistisch in: als jij in een ziekenhuis ligt en je hoort dat je 50 procent kans hebt om een operatie te overleven, denk je dat die kans heel groot is, terwijl je toch in de helft van de gevallen zult sterven! Dit komt omdat mensen structureel zichzelf overschatten en hun eigen kansen hoger inschatten dan de ander. Er zullen dus twee mensen een duel ingaan met het idee dat zij zullen gaan winnen. En dat beeld strookt niet echt met de werkelijkheid.

Ten tweede is het ‘verlies’ dat je mogelijkerwijs oploopt, nooit onoverkomelijk. Je kunt later in je leven opnieuw verliefd worden, en hoewel een moeilijke situatie als ‘eerverlies’ in sommige culturen hele grote gevolgen kan hebben, hoeft dit niet te betekenen dat jij nergens anders een bestaan op kunt bouwen. Het verschil met de analogie over euthanasie is dat je nooit meer een tweede kans krijgt om bij een terminale ziekte een leven op te bouwen, omdat die gevolgen permanent en onomkeerbaar zijn. Maar dat is een heel unieke situatie, en nooit te vergelijken met iets als liefdesverdriet. Een overheid heeft als plicht om dit soort foute keuzes van mensen te sturen richting keuzes die men later nog geluk op kan leveren, zélfs als mensen dit op dat moment zelf niet inzien. Want mensen willen vaak op verschillende momenten in hun leven verschillende dingen. Een veertienjarige jongen denkt dat meisjes eng zijn, een achttienjarige jongen zit de hele dag veel meisjes achterna, en een dertigjarige man trouwt één vrouw voor de rest van zijn leven. Om deze verschillende ideeën over geluk binnen één persoon te beschermen, moet de overheid je helpen bij het beschermen van deze ideeën door het kwade hersenspinseltje dat er soms tussendoor glipt onmogelijk te maken. Daarom moet zo’n onomkeerbare, foute keuze als het aangaan van een duel tot de dood niet worden toegestaan.

Eindoordeel

Het is belangrijk om te begrijpen welke basisaannames bepalen hoe wij denken over overheidsbeleid. Aan de ene kant vinden wij dat mensen heel veel beslissingen zelf moeten kunnen maken, zonder overheidsinvloed. Aan de andere kant perken wij op een heleboel gebieden de keuzevrijheid van mensen in: we mogen geen harddrugs gebruiken, niet harder dan 130 kilometer per uur rijden, en niet duelleren tot de dood. Kritisch nadenken over prikkelende stellingen zoals het toestaan van duelleren tot de dood, door middel van een goed debat, verbetert ons inzicht in de keuzes die wij hierover maken als samenleving.

doorBionda Merckens

Debatteren in je tweede taal

Een groot deel van de Nederlandse debaters heeft het wel eens gedaan, en een gedeelte doet het zelfs regelmatig: debatteren in het buitenland. Nu het Engelstalige circuit zich uitstrekt van Ierland en Engeland tot Litouwen, Turkije en de Aziatische landen, is er voor elk wat wils en ongeveer wekelijks een mogelijkheid om naar het buitenland te gaan.

Het debatteren in een andere taal dan je moerstaal is echter niet altijd gemakkelijk. Elke debater die het wel eens heeft geprobeerd, weet dat het niet begrijpen van bepaalde woorden, het nadenken over woordgebruik en een minder natuurlijke kennis van de grammaticastructuur behoorlijk belemmerend kan werken.

Veel zogenoemde “ English as a Second Language”, of “ESL”-debaters, zijn al tijden gelukkig met de ESL wedstrijden die vaak binnen competities gehouden worden. Verschillende Nederlanders zijn inmiddels al wereldkampioen in de ESL categorie geworden, de Nederlanders domineren vaak internationale finales en winnen regelmatig sprekersprijzen.

Jureren

De doorbraak van verschillende Nederlandse teams in de top van het Britse circuit (zo wonnen Ali Al Khatib en Rob Honig afgelopen jaar de Cork IV), heeft de discussie over ESL als categorie weer enigszins doen oplaaien. Als ESL teams blijkbaar ook de gewone finales kunnen winnen, waar is die categorie dan nog voor?

Stel echter de afschaffing van de extra categorie voor, en Nederland Debatland staat op zijn achterste benen. Vaak benoemt men hier als argument dat, vooral IONA (Isles of the Northern Atlantic), juryleden een negatieve bias naar ESL teams hebben. Ook al bestaat er consensus dat een goede inhoudelijke speech ook zo gewaardeerd moet worden, zelfs als de spreker een aantal grammaticafouten maakt of duidelijk net een verkeerd begrip kiest, blijkt dat ESL teams door hun taalachterstand soms alsnog verliezen. Zelfs al hadden ze inhoudelijk gelijk.

Tot op zekere hoogte is dit te begrijpen. Een ESL-debater, zeker iemand die niet vaak in het Engels debatteert en nog niet per se gewend is aan het andere debatjargon, is soms door zijn wat hakkelende spreektempo, onduidelijke uitspraak en verkeerde woordkeuze moeilijker te volgen. Dat maakt echter niet dat de juryleden geen inspanningsverplichting hebben. Op zowel EUDC als WUDC worden er jurytesten uitgevoerd, waarbij het onterecht laten verliezen van een ESL team je minpunten op je juryranking oplevert. Men verwacht van juryleden dat ze hun uiterste best doen ESL debaters te begrijpen, want zij kunnen niks aan hun taalachterstand doen.

De andere debaters

Ook voor de andere debaters kan het lastig zijn als er een ESL debater meespreekt. Als je niet begrijpt wat er gezegd wordt, maakt dat het lastig reageren en weerleggen. Dit is een extra hindernis, die ook meespeelt als ESL-teams ESL-teams uit andere landen treffen. Wie van de Nederlandse debaters heeft nooit geklaagd over de zware Oost-Europese accenten van sommige debaters? Hierdoor loopt het debat extra risico onduidelijk te worden, met teams die langs elkaar heen spreken. Ook dit heeft weer invloed op de uiteindelijke score van debaters, en hoeft niet per se met een bias te maken te hebben: het is een logisch gevolg van de taalachterstand.

Publiek

Nog moeilijker wordt het als er ook een groot publiek aanwezig is. De stijl waarin de meeste internationale debatten plaatsvinden, Brits-Parlementair, dwingt juryleden om actief mee te schrijven. Vaak doet het publiek dat echter niet. Daar waar juryleden die goed hun best doen tweede-taal sprekers vaak inhoudelijk nog goed kunnen volgen, is het overtuigen van een publiek en grapjes op het juiste moment maken lastiger.

Een interessant recent voorbeeld hiervan is de finale van het Kalliope Debattoernooi 2011. In de finale stond Arielle Dundas, wier eerste taal Engels is, en wier tweede taal Nederlands. Na het debat dachten veel mensen in het publiek dat haar team het debat verloren had. Ze was volgens die mensen immers niet goed te volgen geweest. Een aantal van de teams in het debat deelden dat gevoel.

De jury echter niet. Zij hadden actief meegeschreven, en door de taalproblemen heen gekeken. Daar waar het publiek Arielle beoordeelde op retorische vaardigheden, keek de jury door het systeem van meeschrijven naar de inhoud. En, samen met Adriaan Andringa, won zij het toernooi.

Op dat moment werd in het publiek al vrij snel de vraag gesteld “Maar hoe kan iemand winnen die we niet begrijpen?”.  Voor een actief debatland, wat al tijden bezig is met een lobby om ook op internationale toernooien juryleden zo ver te krijgen dat ze door taalproblemen heen kijken, is deze reactie toch teleurstellend. In dit debat maakte men eindelijk mee waar veel Britten, Amerikanen en Australiërs al tijden over klagen: een taalbarrière. In plaats van erover te klagen, zou het mooi zijn als Nederland Debatland deze ervaring meeneemt in toekomstige discussies over de ESL-categorie. Een beetje mededogen met onze Britse buren als wij weer met steenkolenengels aankomen, kan immers geen kwaad.

(Men kan natuurlijk de vraag stellen in hoeverre een debater slechts beoordeeld  mag worden op inhoud, en in hoeverre overtuiging in de breedste zin van het woord essentieel is. Voor wie dat wil: voel je vrij een artikel voor Seventwenty in te sturen naar seventwenty@debatbond.nl. )

doorBionda Merckens

De Afrikaanse Kampioenschappen in Namibië

Leela Koenig was CA van EUDC Amsterdam 2010 – Spread the Love. Ze beschrijft haar ervaringen op de Pan-African Universities Debating Championchips in Namibië.

Van 4 tot 11 December 2010 vonden de Pan African Debating Championships plaats. Dit toernooi is voor het eerst in 2008 georganiseerd door de crew van Botswana die de wereldkampioenschappen organiseerde in 2010, om te laten zien wat ze konden. Uit dat prestigeproject is een heus Afrikaans Kampioenschap ontstaan dat nu diens derde editie beleefde in Windhoek, Namibië. Ik mocht er jureren en ik wil jullie graag kort vertellen hoe het daar was. De organisatie bestond uit wat oudere studenten die het toernooi op de campus van University of Namibia (met 30.000 studenten) organiseerden. Deze campus ligt ver buiten het centrum van de hoofdstad, in contrast met de campus van de zogeheten Polytechnic, maar, om mij onbekende, ‘politieke’ redenen kon daar het toernooi niet worden gehouden. Het is bijzonder wat er op de campus gebeurde. Het viel me op hoe zwaar het was voor de organisatie om alles op orde te houden. Niet iedereen waar ze afspraken mee maakten werkte mee, want als je weinig geld hebt, en dus weinig kunt betalen, bestaat het risico dat men zich niet aan diens woord houdt. Eten kwam te laat; was op; kamers waren niet schoon; water uit de douche viel uit, en dat leidde tot frustratie bij sommige debaters. Maar voor mij maakt dat eigenlijk vrij weinig uit. Niets kon mij afleiden van het feit dat ik eindelijk debatten mocht jureren in een wereld die mij al zo lang fascineerde, maar die zo ver weg bleef: het Afrikaanse debatteren.

Als ik het vergelijk met het niveau van de Europese Kampioenschappen, dan vallen mij een paar dingen op. Ten eerste is men echt enorm eloquent. Ik hoorde prachtige beeldspraak, rustige, duidelijk uitgesproken speeches; scherpe en kalme weerleggingen- het was een genot om naar te luisteren. Ten tweede, ik hoorde argumentatie die ik zelf niet in eerste instantie bij een stelling zou hebben gebracht als ik in het debat had gezeten, wat het jureren ontzettend leuk maakte. Bij een stelling over stemrecht voor enkel hoogopgeleiden (een oefenstelling die ik zette voor wat über-actieve debaters uit Johannesburg) was de kern van de argumentatie niet dat ‘het volk’ populistisch stemt en makkelijk te beïnvloeden is et cetera, maar juist dat dit moest worden ingevoerd zodat politici niet langer het volk kunnen bespelen. De focus van het debat lag daarmee heel anders. Maar, daarnaast was het, net zoals bij het EK en de meeste toernooien, vaak niet al te best gesteld met de algemene kennis van de debaters. Bij de fantastische motie dat “The Arab World Should Apologize For Its Colonial Past” (en dus niet alleen het Westen) bleven de voorbeelden tegen deze motie vooral hangen bij het succes van Algerije, Marokko en Egypte (wat nu niet echt bij uitstek post-koloniale probleemlanden zijn….).

Ook de spreiding van het niveau is wat groter en anders. Het laagste niveau is niet lager of hoger dan bij het EK (of, bijvoorbeeld, Amsterdam Open), maar ik had het idee dat er wel meer teams op een beginnersniveau blijven steken, vooral omdat er geen ver ontwikkelde trainingsprogramma’s zijn zoals wij die hier mogen genieten. Ik merkte dat ook aan de enorme hoeveelheden feedback die ik door teams werd gevraagd te geven. Des te meer complimenten aan Joe Roussos, de Chief Adjudicator ( en dca op het WK), en zijn team dat de eerste twee dagen wijdde aan het geven van workshops (hij en ik aan de jury, Thoriso M-Afrika en Claire Hawkridge aan de debaters). Wat me ook opviel was de enorme Zimbabwaanse aanwezigheid. Vijftig van de honderdtwintig teams waren uit Zimbabwe, ze hadden drie dagen in de bus gezeten, en hun stijl was vlijmscherp. Ik zag zelf een eerste propositie case van de kwartfinale motie dat ‘Zuid Afrika de Marange Mijnen moet overnemen van Zimbabwe’ door een scholierenteam (!) uit Zimbabwe dat dit heel strak en ongehinderd kritisch opzette.

Tot slot nam de Afrikaanse gemeenschap de socials ook een stuk serieuzer dan ik gewend ben. In Europa wordt er natuurlijk goed gefeest, maar de meesten liggen rond een uur of twee netjes in bed. Niet in Namibie. Elke avond werd er tot diep in de nacht doorgedronken/gefeest/gevoetbald (ja, gevoetbald) en één van de avonden werd doorgebracht in één van de townships van Windhoek die, net als in Zuid Afrika, steeds vaker worden verbeterd doordat mensen die het buiten de townships gemaakt hebben terugkeren en de huizen van henzelf en hun familieleden opknappen. De finale van PAUDC werd gehouden in de prachtige tuinen van het Namibische parlement waarna de universiteit van Witwatersrand zich Afrikaans Kampioen mocht noemen. Vlak voor de finale uitslag werd de public speaking contest gehouden waar mensen werkelijk enorm uitpakten – het was meer komedie dan eloquentie, tot groot genoegen van het publiek. Deze finale werd gewonnen door een jongeman van Rhodes Univesity, zodat beide prijzen uiteindelijk naar Zuid-Afrika gingen.

De volgende PAUDC zal in Zimbabwe worden gehouden, en gezien het niveau van de Zimbabwaanse teams moet dat een mooi spektakel worden. Mocht iemand die dit leest zin krijgen om erheen te gaan (want je bent toch in de buurt) doe dat dan vooral, het is geweldig.